Reizigers in de knel

Voor de derde achtereenvolgende dag staken vandaag de chauffeurs van het streekvervoer. Publieksvriendelijke acties (gratis openbaar vervoer) of acties die de reizigers enigszins ontzagen (wel bussen laten rijden in de spits) zijn voor onbepaalde tijd vervangen door een hardere aanpak. Nu de vakbonden ook een nieuw bod hebben afgewezen dat de werkgevers gisteravond deden, lijkt de oplossing van dit cao-conflict ver weg.

Onder meer de eindexamenkandidaten die voor hun reis naar school nu op ander vervoer zijn aangewezen, zijn de dupe. Voor een deel zijn dergelijke gevolgen onvermijdelijk, als acties in de publieke of semipublieke sector verharden. Ook buschauffeurs en trambestuurders hebben stakingsrecht. Maar betreurenswaardig is het wel. Vooral omdat de onderhandelaars niet of nauwelijks in beweging lijken te komen en de vakbonden de oproepen van staatssecretaris Huizinga (Verkeer, ChristenUnie) en de reizigersvereniging ROVER hebben afgewezen om een bemiddelaar te hulp te roepen. Een minder starre opstelling is wenselijk, zeker waar zulke evidente publieke belangen in het geding zijn.

Of zou het toch zo zijn dat PvdA’er Klaas de Vries, Eerste Kamerlid en onder meer oud-minister van Sociale Zaken en oud-voorzitter van de SER, gaat proberen de partijen tot elkaar te brengen zonder dat het bemiddelen mag worden genoemd? Op verzoek van de branche-organisatie FMN en de vakbonden gaat hij een analyse maken van het streekvervoer. De vraag is wat De Vries zou kunnen ontdekken wat de ingewijden, waartoe zowel de betrokken vakbonden als de streekvervoerbedrijven mogen worden gerekend, niet zelf al weten.

Een van de constateringen die De Vries zou kunnen doen, is dat het streekvervoer weliswaar is geprivatiseerd, zij het niet in heel Nederland, maar dat het daarmee nog geen ‘normale’ bedrijfstak is. Een derde partij, de nationale en regionale overheid, is er nauw bij betrokken. Staatssecretaris Huizinga stelt zich op het formeel correcte standpunt dat zij geen partij is in het cao-conflict en zich er dus verder ook niet mee moet bemoeien. Maar de geschiedenis rond de ov-chipkaart heeft geleerd dat de politieke houdbaarheid van zo’n opvatting van beperkte duur is als het publieke belang verder in de knel komt.

Bovendien bepaalt de overheid in hoge mate de financiële ruimte voor het streekvervoer. Provincies en stadsregio’s geven concessies aan vervoersbedrijven en betalen daarvoor, met dank aan het Rijk dat subsidie geeft. Het Rijk stelt ook grenzen aan de tarieven in het openbaar vervoer en bepaalt via accijnzen mede de hoogte van de brandstofprijzen, een kostenpost die voor het streekvervoer door de dure olie nogal een tegenvaller vormt. Inmiddels roeren de provincies zich: zij voelen er terecht weinig voor om streekvervoerders die niet ‘leveren’ te blijven betalen. Er is één partij op deze zogenaamd geprivatiseerde markt die helaas geen rol kan spelen, omdat die niets te kiezen heeft: de consument. Diens belangenbehartiger zit in de politiek.