Make-over van een omstreden Europees verdrag

De naam en uitstraling zijn veranderd. Maar inhoudelijk verschilt de opvolger van de Europese Grondwet nauwelijks. En de kiezer stemt niet mee.

De opvolger van de Europese Grondwet komt er aan. Deze week zal de Tweede Kamer met grote meerderheid ‘ja’ zeggen tegen het Verdrag van Lissabon. Die afspraken vervangen de Europese Grondwet die drie jaar geleden door Nederlandse en Franse kiezers werd afgewezen. Na het referendum zei ook de Tweede Kamer ‘nee’.

En nu zal diezelfde Kamer instemmen met een verdrag waarvan deskundigen beweren dat het inhoudelijk slechts weinig verschilt van de Grondwet. Maar het beeld is anders, vandaar. In de woorden van premier Balkenende: „De vorm is hier inhoud.” Hoe de politieke poederdoos werd gehanteerd om een ‘nee’ van het volk om te zetten in een ‘ja’ van de volksvertegenwoordiging.

Wat zich op woensdag 1 juni 2005 manifesteerde, was een duidelijk geval van kortsluiting tussen kiezer en gekozene. Tijdens het eerste landelijke referendum uit de Nederlandse geschiedenis keerde 61,6 procent van de bevolking zich tegen de Europese Grondwet. Eerder bleek 85 procent van de leden van de Tweede Kamer voorstander van het voorstel. Alle partijen, of ze nu voor of tegen de Grondwet waren geweest, vonden dat de kiezer duidelijk had gesproken en dat het einde oefening was. „Het grondwettelijk verdrag is over en uit”, aldus premier Balkenende. De verslagen politici restte toen niet veel meer dan toch nog een positieve draai te geven aan hun nederlaag. Zoals Wouter Bos, toen nog fractievoorzitter van de PvdA én oppositieleider deed. Het was onder andere zijn partij die met een initiatiefwet het referendum mogelijk had gemaakt. „Trots”, was hij daarop, zei hij. „We wisten dat dit op langere termijn de enige manier was om Europa terug te geven aan de burgers.”

In Brussel zat op dat moment de Europese bestuurlijke voorhoede met de handen in het haar. De Franse bevolking had zich eveneens tegen de Grondwet uitgesproken. Deze bestuurlijke hervorming, bedoeld om het uitdijende Europa doelmatiger en doorzichtiger te kunnen leiden, moest door de toen nog 25 lidstaten unaniem worden aangenomen. Daarom was men zich ervan bewust dat er iets diende te gebeuren. Het meest bruikbare instrument dat dan voorhanden is, heet tijd kopen. Die tijd is vervolgens ruim genomen.

Het kabinet destilleerde een aantal onderhandelingspunten uit het ‘nee’, in de wetenschap dat dit ‘nee’ zeer divers was samengesteld en bovendien voor een belangrijk deel gevoelsmatig van aard was. Het kabinet liet zich ook leiden door een niet representatieve internetpeiling waaraan ruim 97.000 mensen meededen. Belangrijke conclusie was dat Nederlanders in ruime mate voor het lidmaatschap van de EU zijn, maar vraagtekens zetten bij het tempo van de integratie en de uitbreiding.

Het kabinet ging de onderhandelingen in met de leuze dat een nieuw Verdrag zich naar „naam, vorm en inhoud” wezenlijk moest onderscheiden van de Europese Grondwet. Mendeltje van Keulen, als onderzoeker verbonden aan het Clingendael Europese Studies Programma in Den Haag, meent dat het kabinet vanuit die optiek met recht kan zeggen dat „succesvol” is geopereerd. „Door de nadruk op de uitstraling te leggen, is die indruk van verandering thuis bewerkstelligd.”

De Europese Grondwet heet geen grondwet meer, het is een klassiek wijzigingsverdrag waarmee sprake is van een andere vorm en de inhoud is in die zin gewijzigd dat het volkslied en de Europese vlag er niet meer in staan. Bovendien zijn de bevoegdheden van de EU op een aantal punten verhelderd. Zoals Clingendael onlangs fijntjes in een rapport vaststelde, komt dit „feitelijk” slechts neer op het „expliciteren van evidenties”. Dat heeft vooral geleid tot een anders ogend verdrag. „Het afbakenen van bevoegdheden geeft een heel andere uitstraling aan het document, namelijk één van inperking, begrenzing en bescheidenheid.” Maar tegelijk, zo zegt zij, zijn „de grote veranderingen waar het in de Grondwet allemaal om te doen was op enkele ondergeschikte veranderingen na recht overeind gebleven”.

Het was een resultaat waarmee alle regeringsleiders vorig jaar juni instemden. Maar dat hadden zij drie jaar daarvoor ook al gedaan met de Europese Grondwet. Fout ging het pas toen de bevolking eraan te pas kwam. In Frankrijk had Nicolas Sarkozy tijdens zijn campagne voor het presidentschap herhaaldelijk laten weten geen nieuw referendum over het Europees Verdrag te zullen uitschrijven. In Nederland kwamen de coalitiepartners CDA, PvdA en de ChristenUnie overeen deze vraag aan de Raad van State voor te leggen. Die oordeelde vorig jaar dat het grondwettelijk karakter van het verdrag was verdwenen en daarmee ook de noodzaak van een referendum. Een gedachte die door een meerderheid van de Tweede Kamer werd overgenomen. De Kamer is aan zet en blijft aan zet. De uitkomst is zeker: Nederland hoort weer volledig bij Europa.