Ik sabelde alles neer

Toneelrecensent Wilfred Takken kijkt terug op zijn eerste toneelrecensie op 13 februari 1998 in deze krant.

Acteur Servaes Nelissen Foto Leo van Velzen Neck, 26/6/02. Servaes Nelissen, acteur. foto leo van velzen/nrc.hb. Velzen, Leo van

De verpleger sloopte per ongeluk de bril van een bejaarde en gaf haar achteloos een willekeurige bril uit de voorraadtrommel. Een andere bejaarde werd op het dressoir geparkeerd omdat de verpleegster haar rolstoel was vergeten. Een breekbaar opaatje ging twee keer keihard tegen de grond.

Het eerste toneelstuk dat ik recenseerde, tien jaar geleden, was een kindervoorstelling over misstanden in de ouderenzorg: Altijd zondag van Servaes Nelissen, met in de hoofdrol zes grote bejaardenpoppen. Daarvoor had ik amper toneel gezien, wat voor deze krant vreemd genoeg geen bezwaar was. Misschien omdat ik aanvankelijk slechts tijdelijk kwam invallen, en omdat het eerst nog alleen om kindertoneel ging.

Ik begon met een frisse blik, en sabelde vrolijk alles neer. Binnen een jaar stond ik in het vakblad Theatermaker bijna bovenaan de jaarlijst van meest negatieve recensenten. Alleen mijn baas moest ik boven mij dulden. Dit alles tot mijn verbazing, want ik vond mijzelf heel redelijk. Dat ik zo hoog eindigde, lag aan de slechte voorstellingen. Niet aan mij.

In tegenstelling tot het populaire idee dat recensenten verzuren en geblaseerd raken in hun vak, en gaandeweg alles slecht gaan vinden, is het omgekeerde het geval. Je begint heel kritisch, en als je langzaam doorkrijgt wat ongeveer het peil is, en wat voor aardige, hardwerkende mensen er in de kunst rondlopen, word je steeds welwillender. Dat effect is groter naarmate de kunstwereld waarover je schrijft kleiner is. Niet de verzuring, maar de mildheid is het grootste probleem van de kunstkritiek. Een goed voorbeeld is de ontvangst van de Nederlandse film. Dit kasplantje wordt altijd met fluwelen handschoenen bekeken. De filmcritici zijn iedere keer blij dat er toch weer een Nederlandse speelfilm is gemaakt, dat ze bereid zijn het kleinste lichtpuntje toe te juichen. Helaas is het publiek doorgaans meedogenlozer.

Servaes Nelissen hoefde niets te vrezen: Altijd zondag vond ik meteen geweldig. De prachtige poppen, de heerlijke slapstick, die keiharde wijze waarop de hulpeloze dementerenden te grazen werden genomen. Ik kreeg mijn eerste Boze Brief. Een dame schreef: „Hoe kan een kwaliteitskrant als de uwe zo’n schandelijke voorstelling aanprijzen? Het mishandelen van bejaarden is niet iets om grappen over te maken. Zeker niet voor gevoelige kinderen, die hier erg van zullen schrikken.” Mijn baas kwam de brief brengen, en ik kreeg een standje: „Jaaa, daar heeft die mevrouw wel een beetje gelijk in, Wilfred. Voor kinderen is het een hele schrik als opa valt. Daar moet je toch een beetje op letten.”

Nu ik zelf kleuters heb, weet ik dat zij schrikken als in het theater het licht uitgaat, of als de acteurs luid spreken („Waarom is die meneer boos, papa?”), of als een actrice met een witte helm met konijnenoren op claimt dat ze Nijntje is („Dat is een nep. Toch, papa?”). Maar bejaardenmishandeling, daar kijken ze niet van op, sinds Roodkapje.