Expositie World Press doet kwaliteit foto’s tekort

Expo World Press Photo 2008. T/m 22 juni Oude kerk, Oudekerksplein 23, Amsterdam. Daarna tournee. Inl. worldpressphoto.nl.

Nieuw dit jaar in de World Press Photo-expositie zijn de twaalf computerschermen waarop alle foto’s terug te vinden zijn. Heel overzichtelijk is het. Je vraagt je af waarom de organisatie het daar niet bij gelaten heeft. Want de fysieke tentoonstelling is een tamelijk onooglijk ding.

Vijfentwintig staande panelen, in bochtjes aan elkaar geschakeld en beplakt met foto’s. Nog eens een handvol van zulke panelen, hangend aan een muur. Het oogt even fragiel als mager. Helemaal onbegrijpelijk is het niet: de expositie gaat op tournee en zoiets vergt nu eenmaal functionaliteit. Maar indrukwekkend is anders. De opzet van de expositie doet geen recht aan de kwaliteit.

We zien ongeveer tweehonderd winnaars in de diverse wedstrijdcategorieën, van Natuur en Sport tot Portret, van Hard nieuws en Mensen in het nieuws tot Hedendaagse kwesties. Categorieën en subcategorieën en de prijswinnaars worden door elkaar gehusseld. Foto’s van een mijnstad in de Oekraïne, een portret van beeldend kunstenares Kara Walker, schoolgaande meisjes op het Turkse platteland, een close-up van Poetin, marathonlopers – er zit geen logica in. Elders hangen foto’s van de herdenking van het bloedbad van Nanjing (3de prijs Mensen in het nieuws, series), op één paneel samen met een foto van yogabeoefenaars in India (3de prijs Sport achtergrond, singles), een gekromd boomblaadje (1ste prijs Natuur, singles) en een moeder en een zoon die elkaar wassen aan de oever van een rivier (1ste prijs Dagelijks leven, singles). Een onooglijke en betekenisloze combinatie die door niets anders lijkt ingegeven dan het feit dat alle foto’s zwart-wit zijn.

Het resultaat is een beeldenbrij die op gespannen voet staat met de verhalende intenties van de fotografen en met de kwaliteit van hun foto’s. Een kwaliteit overigens die zichtbaar van karakter verandert. Klassieke nieuwsmomenten zijn in de expositie nog maar nauwelijks te vinden. Tim Hetheringtons nieuwsfoto van het jaar van de vermoeide Amerikaanse soldaat in Afghanistan is er misschien een, John Moores foto van de bomexplosie die Benazir Bhutto het leven kostte is er zeker een. Maar ze vormen een uitzondering. Want meer en meer zoeken fotojournalisten het in afgewogen, visueel aantrekkelijke beelden als verpakking van de vaak bittere boodschap.

De foto’s die de Zwitser Jean Revillard maakten van de geïmproviseerde tenten waarin illegale vluchtelingen leven in de buurt van Calais, doen in eerste instantie een conceptueel kunstwerk vermoeden. De foto’s van de schoolgaande Turkse meisjes, gemaakt door de Engelse Vanessa Winship, zijn onmiskenbaar geënt op het werk van August Sander uit de jaren twintig. De portretten die de Amerikaan Benjamin Lowy maakte van Iraakse gevangene wachtend op transport, lijken gestoken in een fluwelen handschoen van warme kleuren en uitgekiend licht; een contrast dat de foto’s des te beklemmender maakt.

Artistiek, zou je hun werkwijze willen noemen, en hun foto’s ‘mooi’. Dat vraagt om een andere manier van presenteren.