Bij Anna

Voetbal is een sombere sport voor sombere mannen in een sombere arena.

Deze zin schreef ik pakweg een jaar geleden in een column, maar hij sneuvelde om redenen die ik me niet meer herinner. Noch kan ik me de aanleiding herinneren. En wie waren die sombere mannen? Spelers, trainers, fysiotherapeuten, commentatoren, het publiek? In elk geval, de zin keerde terug in mijn hoofd dankzij of ondanks het lekker luchtig geschreven essay van voetballiefhebber, psychoanalyticus, schrijver en dichter Anna Enquist in de EK-bijlage van zaterdag.

Ik zou graag bij Anna Enquist op de sofa willen. Liever vandaag nog dan morgen. Het EK nadert, maar de emotionele blokkade waarvan de sombere openingszin waarschijnlijk een uitingsvorm is, staat een gezonde en openlijk beleden oranjegekte danig in de weg. Niet dat ik er naar verlang in een straat te wonen met bewoners die hun huizen in oranje doeken inpakken (Oirschot, het haalde Het Journaal), maar ik wil wel een beetje warmdraaien met oranje mosterd of een oranje bloemkool.

Naar mijn smaak spelen die lui in Oirschot vals. Dat is geen authentieke oranjegekte. Het is gespeelde oranjegekte. De pure radeloosheid. Je wordt bedot waar je bij staat.

Mijn probleem is dat ik geen troost put uit de verrichtingen van onze jongens. Troost, of in elk geval de mogelijkheid van troost, is een voorwaarde voor een geolied oranjegevoel. En de voorwaarde voor troost is weer een gevoel van machteloosheid. Een vlucht in een kinderlijke troostfantasie, dat is de schreeuw van het oranje hart.

„Machteloos zakken we achterover op de bank. Bier. De televisie gaat aan en er ontvouwt zich een overzichtelijke wereld, volstrekt tegenovergesteld aan de ordeloze narigheid waarmee we elke dag te maken hebben”, schrijft Enquist.

Kijk, hier raken we de kern van het probleem. Bij mij gaat de televisie ook wel eens aan. Maar voetbal en de ordeloze narigheid van alledag zijn wat mij betreft gelijkwaardig aan elkaar. Het ene lijkt me geen sublimatie voor het andere.

Op de sofa wil ik de totale machteloosheid leren kennen. Ik ben bereid mijn voetbalverleden bloot te leggen.

Ja , ik heb gevoetbald. Van mijn tiende tot mijn twaalfde. Toen werd het veld me te benauwd. Ik wilde wielrenner worden. Ik zocht een sportveld zonder lijnen.

Het boek ‘Voetbal, het voetbalboek voor de jeugd’, deed de deur definitief dicht. Ik kreeg het van Sinterklaas. Nuttig maar nuffig geneuzel.

Ik was een jaar of vijf. Mijn vader nam me op zondagmiddagen mee naar het voetbalveld. Daar stonden ze langs de lijn, de vaders van het dorp in hun lange jassen en opgestoken kragen. Ze rookten en spuugden geestdriftig op de grond. Spuug, vermoedde ik, was een geheime codetaal voor volwassenen.

Vol overgave op de grond spugen, daar verlang ik naar.