Wie komt er op voor het klimaat?

‘De buren gaan er anders mee vandoor.’ Dat is het niveau waarop in Nederland politieke besluiten vallen. Daarom is het goed dat Milieudefensie opkomt voor het mondiale belang, betoogt Hein-Anton van der Heijden.

Tekening Dario Dario

Hans Smits, president-directeur van het Rotterdamse havenbedrijf, heeft gelijk: bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte wordt op alle mogelijke manieren rekening gehouden met natuur- en milieubelangen (Opiniepagina, 22 mei).

Maar Milieudefensie heeft ook gelijk: in de strijd tegen de mondiale uitstoot van CO2 is de Tweede Maasvlakte een historische vergissing (Opiniepagina, 19 mei).

Het is een discussie die de komende jaren steeds vaker, en waarschijnlijk ook steeds heftiger, zal worden gevoerd. Aan de ene kant staan vertegenwoordigers van bedrijven als Smits die geen vraagtekens zetten bij de logica van economische groei en globalisering, omdat zij bijdragen aan verdere vergroting van welvaart, maar die de negatieve milieugevolgen van die groei wel zoveel mogelijk willen neutraliseren. Zij weten zich gesteund door het mondiale vrijhandelsregime van de WTO, door een politiek die zich terughoudend opstelt en zo weinig mogelijk intervenieert in macro-economische beslissingen, en door een tijdgeest die wars is van grootschalige, ongemakkelijke politieke ingrepen. Van globalisering, zo luidt de redenering, wordt iedereen beter, maar tegelijk is het zaak om het nationale belang scherp in het oog te houden.

Aan de andere kant staan milieuorganisaties als Milieudefensie. Volgens hun analyse leiden economische groei en globalisering tot steeds meer uitstoot van CO2 met onomkeerbare gevolgen voor het klimaat. Internationale maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan schieten hopeloos tekort, en daarom richten zij hun pijlen op die onderdelen van de economie die het meest zichtbaar bijdragen aan de vergroting van de uitstoot van CO2: de olie-industrie, de transportsector – en dus ook tegen de uitbreiding van de Rotterdamse haven. Op de achtergrond speelt de gedachte dat globalisering misschien meer nadelen dan voordelen met zich meebrengt.

Dat globalisering niet alleen leidt tot vergroting van economische ongelijkheid en armoede in de wereld, maar ook tot veel nodeloos heen en weer gesleep van mensen en goederen en daardoor tot veel niet strikt noodzakelijke uitstoot van CO2. De meest recente Champions League-finale, waarbij tienduizenden supporters van twee Engelse voetbalclubs via een luchtbrug naar Moskou werden vervoerd, is een duidelijk voorbeeld. En een paar jaar geleden zocht de Engelse krant The Guardian uit welke afstand twintig verse voedselproducten, van Victoriabaars tot kiwi’s, hadden afgelegd voordat zij in het winkelwagentje belandden. Dat bleek 162.000 kilometer te zijn. Steeds meer milieu- en ontwikkelingsorganisaties zetten vraagtekens bij deze gevolgen van globalisering.

Het is een discussie waarbij de politiek zich tot nu toe grotendeels afzijdig heeft gehouden. Op het moment dat de Tweede Kamer het groene licht gaf voor het Project Mainportontwikkeling Rotterdam speelde het klimaat een minder prominente rol dan nu, maar het is onwaarschijnlijk dat een besluit er anno 2008 anders zou hebben uitgezien.

Het argument, door Milieudefensie aangehaald, dat ‘de buren er anders met de buit vandoor gaan’ speelt hierbij zeker een rol. De logica van de verhouding tussen Nederland en de Europese buren, verenigd in de Europese Unie, is dat Nederland haar bijdrage aan de Europese klimaatdoelen (20 procent minder CO2-uitstoot in 2020) eerder zal proberen te realiseren volgens de beproefde kaasschaafmethode (een kilometerheffing hier, een vliegtaksje daar), dan door werkelijk structurele ingrepen (geen Tweede Maasvlakte, geen uitbreiding Schiphol, afbouw bio-industrie) omdat het daarmee ‘de buren’ in de kaart zou spelen. Het is de consequentie van de onvoltooide Europese integratie, waarbij er weliswaar één Europese markt en één Europese munt zijn, maar waarbij nationale economische belangen nog steeds de politieke agenda bepalen. Deze onvoltooide integratie staat ook een Europese infrastructuurpolitiek in de weg, een politiek waarbij wel rekening wordt gehouden met 21e eeuwse mondiale problemen als klimaatverandering.

Het onvermogen om uit deze impasse te raken mag de politieke besluitvormers worden aangerekend. De impasse heeft er in elk geval toe geleid dat veel Nederlandse – en Europese – burgers het vertrouwen hebben verloren dat de politiek een oplossing kan bieden voor problemen als klimaatverandering.

De Duitse socioloog Ulrich Beck, adviseur van de Franse regering, betoogde krant dat strijd tegen klimaatverandering Europeanen kan mobiliseren en samenbinden en zo bijdragen aan de opbouw van een Europa van burgers (NRC Handelblad, 8 mei). In dat licht wordt het verzet van Milieudefensie tegen de Tweede Maasvlakte een stuk begrijpelijker.

Dr. Hein-Anton van der Heijden doceert Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.