Weemoed naar ondergronds werk

Op de eerste Dag van de Mijnwerker waren vooral buitenlandse kompels aanwezig. Als het gaat om eren van de traditie, blijven de Limburgers achter.

Oud-mijnwerker uit Marcinelle op bezoek in Heerlen. In 1956 vielen 262 doden bij een brand in de mijn Bois du Cazier in het Waalse Marcinelle, bij Charleroi. Foto Chris Keulen Nederland, Heerlen, 01.06.2008 Eerste mijnwerkersdag in Nederland met oud-mijnwerkers uit Marcinelle, Wallonie. Amicale des Mineurs et Charbonnages de Wallonie. foto: Chris Keulen Keulen, Chris

„Vraag dan maar of hij grappa heeft.” Francesco Mureddu wil eigenlijk bier, maar de jongen achter de bar in de feesttent in Heerlen is streng: bier is er pas na de mis. Mureddu (78) komt oorspronkelijk uit Sardinië, maar is samen met zijn Belgische ex-collega’s op de eerste Mijnwerkersweg, die gisteren in Heerlen werd gehouden. Tweeëntwintig jaar heeft hij in Wallonië in de mijnen gewerkt.

Het buitenlandse element overheerst in de feesttent, die staat opgesteld voor de schouwburg van Heerlen. Circa 300 mannen in blauwe en witte jassen en broeken, met helm op en mijnwerkerslamp in de hand. De Duitsers, sommigen in uniformen die negentiende-eeuws aandoen met ronde hoofddeksels met zwarte pluimen, anderen in zwarte uniformen naar onmiskenbaar Duits twintigste-eeuws model. Enkelen dragen bijltjes op lange stelen mee. Aan het hoofd van de lange tafels staat een veldaltaar, voor de mis die zal worden opgedragen ter herdenking van omgekomen mijnwerkers. Verenigingsvaandels sieren de achterwand.

Hub Rijsmus is voorzitter van Schalmeienkorps ‘Gluck-Auf’. Hij heeft zelf „maar drie à vier jaar” in de mijnen gewerkt, „toen gingen ze dicht”. Zijn muziekkorps bestaat vijfenzeventig jaar, reden om de Mijnwerkersdag te organiseren. Vandaag staat na de mis een verenigingsdefilé op het programma. Het werk in de mijnen was zwaar. Uren ploeteren in warme mijnschachten van soms nog geen 60 centimeter breed, bij het licht van de lamp. Pijn aan de rug en stof in de longen. En de traumatische sluiting van de mijnen in de jaren zeventig. Rijsmus weet het allemaal, maar hij wil het er niet over hebben. „Ik wil de leuke kant laten zien vandaag.”

Rijsmus beaamt dat de buitenlandse verenigingen eigenlijk het goede voorbeeld aan de Limburgse mijnwerker moeten geven. „Wij willen de mijnwerkerstradities nieuw leven inblazen. Als het in Duitsland kan, waarom dan niet bij ons?” Waarom komen Limburgse mijnwerkers hier niet massaal op af? „Zit dat in de volksaard?” vraagt Rijsmus zich retorisch af. „Misschien zijn we te gemoedelijk.”

Cees Zentveld (74) draagt zijn oude mijnwerkerskloffie: beige werkpak, helm met lamp èn stofkap. Zentveld kwam in 1956 als katholiek uit Alkmaar naar Limburg om in de mijnen te werken. „Mijn vrouw was zwanger en er was woningnood”, legt hij uit. „Je kon hier direct een huis krijgen, bovendien kreeg je een redelijk inkomen.” Zentveld werkte 17 jaar ondergronds in de staatsmijnen Maurits en Emma. Tot ze werden gesloten en hij werd overgeplaatst naar het chemisch bedrijf van DSM. „Zeven van mijn collega’s zijn omgekomen in de mijn. Ieder jaar gedenk ik ze. Wat Zentveld „niet kan verwerken”: zijn Limburgse collega’s uit die tijd zijn hier vandaag niet. „Als Hollander ben ik de enige die de kar trekt.”

Pastoor Bert Knubbe doet de mis in het Maastrichts en het Latijn. „Het was toch wel een erg mistroostig klimaat in de mijn”, preekt hij, terwijl wierook de verenigingsvaandels aan het zicht onttrekt. Maar er was ook „Kameradschaft” en „goeie zin”. Het werk in de mijnen was ook internationaal: „Nederlanders, Prusse, Slovenen, Polen: „dat maakt neet oet.”

    • Ewout Lamé