Hij, Jan Viespeuk

Wanneer heeft de Nederlandse taal zijn grootste opdonder te verwerken gekregen? Volgens sommigen was dat heel duidelijk: in 1964, met de verschijning van de „onverbiddelijke bestseller” Ik, Jan Cremer.

Zo schreef D. Ouwendijk op 24 maart 1964 in De Gelderlander, indertijd een krant van katholieke signatuur: „In de Nederlandse gedegenereerd-satirische literatuur is langzamerhand de schil, waarin de zaak bijeengehouden werd, steeds holler – en daarom ook vozer – geworden. De taal degenereerde meer en meer; zij rotte letterlijk weg. Via de literatuur van het zogenoemde vieze woord dat – zoals bij Wolkers – nog enige relatie heeft met zijn adequate inhoud, zijn we terechtgekomen in het doodgewone opschrijven van reeksen smerigheden zonder zin of reden. De smerigheid van Ik, Jan Cremer heeft geen enkele literaire of andersoortige betekenis: de anekdotische binding van wat er wordt verteld wordt alleen aangebracht door de vuilnisgassen die van het woordgebruik samen uitgaan.”

De recensent van De Zaanlander typeerde het boek als een „opeenstapeling van abjecte vulgariteiten, schunnigheden en sadisme”, die van De Nieuwe Linie struikelde over „de grove platitudes en de als procédé toegepaste schuttingtaal”, en volgens de bespreker van het Utrechts Nieuwsblad sleurde Cremer de lezer onophoudelijk door het riool. „Hij doet dat (...) in een taal die van de eerste tot de laatste pagina bij het riool past.”

De vraag is: aan welke woorden nam men indertijd zo’n aanstoot? Dat is gelukkig al in 1965 in kaart gebracht, door de Vlaamse journaliste Denis Arnolds in Hij, Jan Cremer. In dit boek besteedt Arnolds een apart hoofdstuk aan de „onnette woorden” in Ik, Jan Cremer. Arnolds telde een kleine negenhonderd woorden „die in het ‘algemeen beschaafd’ min of meer uit de toon vallen”. In de meeste gevallen ging het om synoniemen voor „het geslachtelijk verkeer”. Alleen naaien kwam al 51 keer voor en dan waren er nog 85 synoniemen. Daarnaast nam Arnolds een lijst op van tachtig „onnette woorden”, met hun frequentie.

Het interessantst in die lijst zijn de woorden die wij nu helemaal niet meer aanstootgevend vinden. Men moet daarbij denken aan woorden als abortus, billen, coïtus, delirium, erectie, flagellante, geslachtsdeel, menstruatie, maandverband, urine en venerisch. Dit zijn geen vieze of onnette woorden – sommige vinden wij nu uitgesproken netjes of zelfs deftig – maar ze kunnen wel in verband worden gebracht met seks en andere liederlijkheden, en kennelijk wekten ze daarom indertijd veel woede op.

De opmerkelijkste bespreking verscheen overigens in Trouw, op 23 mei 1964. De bespreker, J. van Doorne, noemde Jan Cremer een „schoft”, een „viespeuk” en een „misdadiger”, het boek „een vieze zweer” en uitgeverij De Bezige Bij een „stinkuitgeverij”. Het kwam Trouw op een proces wegens smaad te staan, dat door de uitgeverij werd gewonnen.

Wat vond Van Doorne nu de „grootste zonde” van Cremer? Dat hij met zijn platvloerse beschrijvingen de erotiek in diskrediet bracht. Want, aldus Trouw: „De erotiek is iets heerlijks. Er is op één uitzondering na niets zo paradijselijk als de bijslaap. Slechts het ervaren van Gods aanwezigheid gaat daarboven.”

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek

    • Ewoud Sanders