Eet smakelijk

Van de weinige geheimen die ik heb is dit er één: mijn fascinatie voor voedsel. Ik lees alle kookrubrieken, ik ben dol op kookprogramma’s, ik kook met plezier en ik kan er uren over praten. Er is maar één probleem: ik eet zelf niet graag. Soms heb ik het gevoel dat ik een meisjesachtige stoornis heb.

Het kan komen door mijn jeugd. Mijn vader, onderwijzer van beroep, ging er prat op dat zijn kinderen nooit ziek werden. Geen verkoudheid, geen griep, geen buikloop. En dat bereikte hij door veel aandacht te schenken aan ons voedsel. Hij ging zelf naar de markt voor verse vis en groenten en hij bedacht allerlei theorieën over welke voedingsmiddelen welke kwalen konden voorkomen: het ijzer zit in de schil van de aubergine, hoe bitterder de vrucht, hoe meer vitamientjes, een glas zuivere zuurzaksap helpt tegen de zenuwen.

En dan de hoeveelheden: omdat hij de melk uit de pakjes niet vertrouwde (opgeloste melkpoeder!), kwam hij elke dag aanzetten met drie liter van een kleine veeboer. Hij had vier kinderen.

Hij was ook economisch ingesteld: als het het seizoen was voor wilde spinazie kwam dat in kilo’s in huis. Ik ben nog nooit een kind tegengekomen dat de Surinaamse spinazie lekker vond. De grote, glibberige blaadjes werden heel even gesmoord en in ruime hoeveelheden op de borden geschept. Wat over was in de pan moest ook op, dus alle vier kinderen in een rij, een flinke hap en achter aansluiten, tot de pan leeg was.

Dat is nog steeds mijn grootste trauma: de hoeveelheid. Ik heb aan een kwart van de porties in restaurants genoeg. Als ik bij mijn schoonmoeder ben, probeer ik te voorkomen dat ze ziet hoeveel ik opschep en ze ziet het toch, omdat ze me in de gaten houdt. Weinig eten is in haar kringen tamelijk onmannelijk.

In Zuid-India zat ik een keer in een primitieve eetgelegenheid thee te drinken met een plaatselijke socioloog. Naast ons zaten vier jongens van een jaar of twaalf, sjouwers van beroep, met vier enorme borden rijst en linzen voor zich. Eén zo’n bord zou genoeg moeten zijn voor alle vier en ik bleef zitten kijken hoe ze de berg verorberden, en niet ophielden tot hun bord helemaal leeg was. Dat komt, zei de socioloog, vanwege de lage voedingswaarde van rijst met linzen. Ze moeten grote hoeveelheden tot zich nemen om er nog iets uit te halen. De rest poepen ze er weer uit, hopen van meer dan anderhalve pond. Hij liet het me zien langs de spoorwegen en sloten waar ze hun behoeften deden.

De laatste tijd kan ik mijn hart ophalen wat voedsel betreft, hoewel het minder over voedsel zelf gaat en meer over voedselpolitiek. De hoge prijzen, de dreigende hongersnoden, het verband tussen voedsel en brandstof. Dat is minder leuk dan een recept voor artisjokken, maar als sociaal bewogen mens lees je alles over de nieuwe tweedeling in de wereld: een miljard mensen is ondervoed, en een miljard mensen is overvoed.

Wat me verbaast is dat tv-koks en schrijvers van kookrubrieken nauwelijks aandacht besteden aan de voedselcrisis. Van Londen tot Seoul gaat het nog steeds over roastbeef en pekingeend – op de Zuid-Koreaanse televisie volgde ik een keer in realtime de bereiding van een goede pekingeend, echt waar, live, ongemonteerd; achtenveertig uur lang kon je een eend zien druipen. Prachtige televisie vond ik het.

Een uitzondering is Bee Wilson, die in The New Statesman en The New Yorker over eten schrijft. In haar laatste essay in The New Yorker van 19 mei behandelt ze een groot aantal boeken over voedselpolitiek. Een adembenemende tekst over wat er allemaal fout gaat. Wist u dat heel Europa gevoed wordt door ongeveer drie miljoen boeren, maar dat er maar zo’n honderd bedrijven zijn die de distributie in handen hebben? Die bedrijven bepalen wat er verbouwd moet worden en die bedrijven bepalen wat wij hier eten. Daarom is een tomaat geen tomaat meer, maar een opgespoten rode tennisbal met smaak noch kraak. En we lusten liever tonijn en zalm, overbeviste soorten die hoog in de voedselketen staan, terwijl haring en sardientjes die laag in de voedselketen staan gezonder, lekkerder en duurzamer zijn. En hoe ze de kipfilet chemisch afwerken, waardoor we er per pond bijna niets voor hoeven te betalen, maar een bleek en slap lapje voorgeschoteld krijgen waar onze oma’s zich dood van zouden schrikken.

Het stuk van Bee Wilson wemelt van alle vormen van dierenmishandeling (niet eens de ganzenlever, maar gewoon kalkoenen die met een spermapistool worden bewerkt, wat strikt genomen een vorm van zoöfilie is); je zou er bijna vegetarisch van worden.

Maar ook de vegetariërs krijgen niet wat ze zouden willen. Zelfs de beroemde spinazie van Popeye is vervuild met een bacterie die normaal in varkensuitwerpselen thuishoort.

Voedsel is in rijke landen te goedkoop en in arme landen te duur, maar dat is op zich geen verrassende conclusie. Waar ik vooral van opkeek in het stuk van Bee Wilson is het feit dat de meeste producten die we hier van de schappen halen, eigenlijk geen voedsel zijn, maar voedselachtig, foodish, zoals het in het Engels zo mooi heet. Opgespoten artificiële troep van soja en vetten en smaakstoffen. Dat we arme mensen hun voedsel onthouden is al erg genoeg, zegt Bee Wilson; maar dat we vervolgens genoegen nemen met voedselachtigheden van een paar grote voedingsbedrijven, is onbegrijpelijk. Ik ben in ieder geval blij met mijn eetstoornis.

Reageren kan op nrc.nl/ramdas (Bijdragen worden pas openbaar na beoordeling door de redactie.)