De wereld staat op zijn kop – mensen volg!

De economische macht verschuift, maar de ontwikkelde wereld doorziet de gevolgen nog niet. Bijvoorbeeld dat de G8 moet worden uitgebreid, meent Roger Cohen.

Een tijdlang was de wereld plat. Nu staat hij op zijn kop. Om dat te begrijpen, moet u ondersteboven denken. Zie de ontwikkelde wereld als afhankelijk van de ontwikkelingslanden, in plaats van andersom. Besef dat vorig jaar tweederde van de mondiale economische groei plaatsvond in landen in opkomst, waarvan de economie in 2008 met ongeveer 6,7 procent zal groeien, tegen 1,3 procent in de Verenigde Staten, Japan en de landen van de eurozone.

Deze verschuiving valt ten dele te verklaren uit de sterke prijsstijgingen van energie, grondstoffen, metalen en delfstoffen die hoofdzakelijk in ontwikkelingslanden worden geproduceerd. Daardoor zijn overschotten op de betalingsbalans ontstaan, die ten goede komen aan in dollars zwelgende staatsinvesteringsfondsen in landen als China. Die fondsen pikken zomaar eens een aandeel in BP hier, een brok Morgan Stanley daar – en waarom niet ook een plak Total. Wij, de dinosauriërs uit de ontwikkelde wereld, zijn nu een gemakkelijke prooi voor de parvenu’s; onze rol als roofdieren is uitgespeeld. Misschien zullen de VS en Europa al heel gauw alle bijstand nodig hebben die ze kunnen krijgen.

Voor een helder begrip van deze ommekeer is het goed om in Brazilië te zitten, waar de winter om zo te zeggen gelijktijdig aanbreekt met de zomer op het noordelijk halfrond, en waar het economisch optimisme – al even weelderig als de vegetatie – net zo pittig groeit als het aantal hypotheekexecuties in de VS.

Reusachtige olievondsten voor de kust, een boom van ethanol uit suikerriet, onmetelijke reserves aan ongebruikte landbouwgrond, delfstoffenrijkdom en volop zoet water dragen allemaal bij tot opbloei van Brazilië. Maar natuurlijke hulpbronnen zijn maar een deel van het verhaal. Net als in China en India wordt ook hier de groei gestimuleerd door expansie van de binnenlandse markt. Ook de toenemende competentie van het bedrijfsleven en de groeiende mondiale ambities dragen het hunne bij.

Op het jaarlijkse Nationale Forum – een bijeenkomst van leiders uit het bedrijfsleven – voelde ik me een ventje van niks toen de bazen van het nationale energiebedrijf Petrobras (groter dan BP, Shell en Total) en de Companhia Vale do Rio Doce (CVRD; de tweede mijnbouwonderneming van de wereld) duizelingwekkende statistieken afratelden.

Petrobras, dat de leiding had in de ontwikkeling van Brazilië van verregaande afhankelijkheid van importolie dertig jaar geleden naar de huidige zelfvoorziening, zal in 2015 de huidige productie van 1,9 miljoen vaten per dag meer dan verdubbelen naar 4,2 miljoen.

„Gezien de jongste ontdekkingen wordt de Zuidelijke Atlantische Oceaan een reusachtige olieproducent’’, voorspelde president-directeur José Sergio Gabrielli de Azevedo.

Roger Agnelli van CVRD deed de Verenigde Staten af als onbelangrijk („ze barsten van de schulden’’) en richtte de aandacht op de Aziatische plannen van zijn bedrijf. Daar móésten ze bij zijn, zei hij, waar daar zitten de groei, het kapitaal en de ambitie. In 2012 zal China goed zijn voor 55 procent van het verbruik aan ijzererts, 31,6 procent van het nikkel en 42 procent van het aluminium. Einde verhaal.

Net als andere grote ondernemingen uit opkomende markten is CVRD druk aan het opkopen geslagen. Bedrijven uit de Eerste Wereld worden tegenwoordig niet alleen overgenomen door staatsinvesteringsfondsen, maar ook door de nieuwe reuzen van de NAN (Newly Acquisitive Nations – de sinds kort kooplustige landen).

Het aantal fusies en overnames in de opkomende markten is dit jaar volgens Thomson Reuter’s met 17 procent gestegen tot 218 miljard dollar (140 miljard euro), terwijl ze in de rest van de wereld met 43 procent zijn gedaald naar 991 miljard dollar (640 miljard euro).

Volgens het World Investment Report van UNCTAD beliepen de rechtstreekse investeringen vanuit de ontwikkelingslanden in 2006 in totaal 193 miljard dollar (125 miljard euro), tegen een jaargemiddelde in de jaren negentig van 54 miljard dollar (35 miljoen euro). Voor de VS was het cijfer in 2006 216,6 miljard dollar (140 miljard euro).

CVRD kocht in 2006 het Canadese nikkelmijnbedrijf Inco voor 17 miljard dollar (11 miljard euro). Bijna kocht het dit jaar het Brits-Zwitserse mijnbouwbedrijf Xstrata voor 90 miljard dollar (58 miljard euro). Net vorige week is bekend geworden dat het Indische Vedanta Resources voor 2,6 miljard dollar (1,7 miljard euro) het Amerikaanse kopermijnbouwbedrijf Asarco wil overnemen. Die overeenkomst wordt aangevochten door Grupo Mexico – hier vindt dus een Latijns-Amerikaans-Aziatische krachtmeting plaats om een bedrijf uit de VS.

Als u daar niet bij kunt, probeer het dan eens ondersteboven.

Die positie biedt tevens een goede kijk op de geplande overname voor 2,3 miljard dollar (1,5 miljard euro) door Tata Motors uit India van Land Rover en Jaguar (van Ford) en op de overname vorig jaar door Tata Steel van het Brits-Nederlandse Corus voor 12 miljard dollar (7,8 miljard euro).

De globalisering is nu tweerichtingsverkeer; sterker nog, het is als het Indiase verkeer, waar iedereen in alle richtingen door elkaar manoeuvreert.

Er doet zich een verschuiving in economische macht voor waarvan de ontwikkelde wereld de gevolgen nog niet doorheeft. Het spreekt vanzelf dat de G8 en het groepje permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zullen moeten worden uitgebreid om aan de veranderingen recht te doen. De instellingen uit de twintigste eeuw zijn niet toereikend voor de eenentwintigste eeuw. Dat is volkomen duidelijk. Minder duidelijk is hoe de VS, die zich tegen ontzaglijke kosten garant stellen voor de mondiale veiligheid, die last zullen gaan delen, opdat de nieuwe multipolaire welvaart een afspiegeling krijgt in multipolaire veiligheidsgaranties.

De nieuwe Amerikaanse president kan maar beter eens op zijn kop gaan staan.

Roger Cohen is columnist.

©The International Herald Tribune