Ambassadeur, geen ‘gemaakt persoontje’

Voetballer Kees Luijckx (22) is ambassadeur van het olympisch elftal. Tot het sportieve gedeelte van de Zomerspelen begint, wil hij zich best uitspreken over de situatie in China. „Ik heb geen oogkleppen op.”

Kees Luijckx afgelopen week met het olympisch elftal in Zweden. „Het is bizar dat ik in China misschien voetbal op een veld waarvoor mensen dakloos zijn geworden.” Foto Pro Shots malmo, 29-05-2008, vierlandentoernooi zweden, training donderdag olympisch elftal kees luijckx Spaan, Dennis

Kees Luijckx zou uit zichzelf toch al niet snel de ‘T’ van Tibet uitbeelden met zijn handen, als hij in augustus een doelpunt maakt in China. En na de voorlichting die het olympisch voetbalelftal twee weken geleden kreeg op het nationale sportcentrum Papendal, haalt de verdediger het zeker niet in zijn hoofd politieke statements te maken over het gastland van de Spelen. Maar zo lang Luijckx zich nog niet in de hitte hoeft te richten op een olympische medaille, wil hij zijn mening over de mensenrechtensituatie best verkondigen. „Als ik hoor wat daar aan de gang is, gaan mijn haren recht overeind staan.”

Luijckx (22), die afgelopen seizoen als huurling met Excelsior degradeerde naar de eerste divisie en na de zomer terugkeert naar zijn club AZ, is aangewezen als een van de elf olympische ambassadeurs van sportkoepel NOC*NSF. Het is een teken dat bondscoach Foppe de Haan – hoewel de definitieve olympische selectie van spelers tot 23 jaar nog niet bekend is – gecharmeerd is van de verdedigende middenvelder. In zijn rol als ambassadeur bezocht Luijckx sponsorbijeenkomsten, openingen en televisieprogramma’s. Daarbij las en hoorde hij van onder meer chef de mission Charles van Commenée over de regelgeving van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) rond politieke uitingen op olympisch ‘grondgebied’.

„Ik wist dat het geen Europees land was, maar over de situatie in China heb ik toch wat licht gedacht”, vertelt Luijckx in Oisterwijk bij een trainingskamp van het olympisch elftal. „Je zou denken dat zo’n T’tje geen probleem is. Maar het IOC waakt er echt voor. Niet alleen Nederlanders kijken naar ons, de hele wereld. Zeker nu het een big issue is, zal de eerste die een gebaar maakt keihard worden aangepakt als voorbeeld voor de andere sporters. Ik vind het wel raar dat wij vrijheid van meningsuiting hebben, maar opeens niet meer als we in China zijn. We weten gewoon niet wat ons te wachten staat. Wat zouden ze allemaal van ons weten? En hoe zit het met de internetcensuur daar? Ik wilde op Google Earth opzoeken waar we precies heengaan, maar die plek kun je op die kaart helemaal niet vinden. Dat Westerse bedrijven als Google aan censuur meedoen, vind ik ongelooflijk.”

Luijckx trof ook andere olympische ambassadeurs, zoals de zeilsters Lobke Berkhout en Marcelien de Koning, die in een televisiedebat stelden slechts met sportieve motieven naar Peking te gaan. „Ik vind dat te makkelijk. Natuurlijk ben je sporter en is dat je beroep. Daar horen journalisten ook vragen over te stellen. Maar tegelijkertijd ben je mens. Ik heb geen oogkleppen op, heel veel mensen zijn uit hun huizen verjaagd voor de bouw van sportcomplexen. Reken maar dat voor lang niet iedereen onderdak is geregeld. Het is toch bizar dat ik misschien wel voetbal op een veld waarvoor mensen dakloos zijn geworden.”

De politieke kant van de Olympische Spelen in China is geen onderwerp dat binnen de kleedkamer van het olympisch elftal leeft, stelt Luijckx. „Op Papendal zagen we beelden van iemand die iets had geroepen dat niet mocht. Hij kreeg een enkelbandje om en moest in zijn huis blijven. Vanuit zijn kamer heeft hij gefilmd hoe hij en zijn vriendin altijd in de gaten werden gehouden. Daar werd in de spelersgroep wel over gepraat, maar verder dan dat gaat het niet. Ik kan me voorstellen dat ploeggenoten er niet te veel over willen nadenken. Dat moet elk individu ook voor zichzelf bepalen.”

Hoewel Luijckx meer uitgesproken lijkt over het China-thema dan zijn collega’s bij het olympische elftal, ziet hij zichzelf niet als de aangewezen man voor het ambassadeursschap. „Ik vind het mooi en ik begrijp dat de trainer mij heeft uitgekozen, maar het hadden ook anderen kunnen zijn. We hebben allemaal heldere, gezonde jongens in de groep. Ik ben niet echt een leidersfiguur of de grote gangmaker in het elftal. Maar sommigen vinden mij wel iemand met een eigen mening. Ik treed op de voorgrond als het moet. Ambassadeur is ook een groot woord. Het is net als bij een voetbalwedstrijd. In het begin is het spannend en zit je de hele dag te wachten tot je het veld op mag, maar later word je meer relaxed.”

Ter voorbereiding op de aandacht voor het olympisch elftal kregen Luijckx en zijn ploeggenoten op Papendal ook een clinic in flirting, presentatie naar de buitenwereld. „Ik vond het wel leuk voor een keer. Het was een beetje dollen en ik ben me wel bewuster geworden van mijn omgang met supporters, journalisten en kinderen die een handtekening willen. Maar ik wil zo’n cursus niet twee keer per week en dan drie maanden lang. Ik wil geen gemaakt persoontje worden en wil wel altijd mezelf zijn.”

Het is snel gegaan voor Luijckx, die nog vakantie vierde in Spanje toen Jong Oranje zich in juni vorig jaar voor het eerst sinds 1952 voor de Spelen plaatste en en passant de Europese titel prolongeerde. „Met Eurosport aan in mijn appartement bedacht ik me dat ik ook naar Peking zou kunnen, terwijl ik nog niet bij de EK-selectie zat. Nu pas komt het besef dat ik waarschijnlijk olympisch sporter word. Ik volgde altijd alles, zat met m’n broertje voor de tv te juichen als Jeroen Dubbeldam moest paardrijden. En ik keek altijd hoe hoog Nederland in de medaillespiegel stond. In het voetbal zijn een WK en EK belangrijker, maar de Olympische Spelen zijn uniek. Bovendien nemen de toplanden het olympisch voetbaltoernooi echt wel serieus.”

Ter versterking van het olympische voetbaltoernooi mag iedere bondscoach drie dispensatiespelers meenemen naar China. Zo kregen de jeugdinternationals, waarvan het merendeel bij eredivisieclubs speelt, op het trainingsveld in Oisterwijk gezelschap van Roy Makaay, Gerald Sibon en Barry Opdam. Luijckx: „Ik heb helemaal niet het idee dat het dispensatiespelers zijn, die een paar jaar met ons schelen. Ze staan echt midden in de groep. Ik kijk toch automatisch naar Makaay. Hoe hij op het veld loopt, hoe hij zich buiten het voetbal gedraagt, wat voor persoonlijkheid hij is. Ik denk dat ik daar een paar jaar na de Spelen nog het meest aan zal terugdenken.”

Dit is deel 3 van een serie olympische portretten. Lees voorgaande delen op nrc.nl/olympiërs