33 seconden

Willy van de Kerkhof deed met een zwier de kleedkamerdeur open van de Wageningse schouwburg. Het was pauze in de kleine zaal waar zaterdagavond een literaire avond plaatsvond in het kader van een zomer vol sport.

Willy had het druk, druk, druk. De oud-voetballer had een diner met belangrijke mensen maar was vanwege zijn verplichting in het theater net voor het hoofdgerecht van tafel weggelopen. En straks, na het korte interview over de finale van het WK ’78, moest hij meteen door naar andere belangrijke mensen.

Het was misschien al meer dan tien jaar geleden dat ik Willy ontmoette. Dat was toen met René, zijn tweelingbroer. Ik weet niet hoe lang hun ouders hebben nagedacht over hun namen, maar ik vind het een weergaloze naam voor een duo: Willy en René. Ook voor twee meisjes, trouwens.

Gek, dat je bij een tweeling altijd meteen wilt vragen waar de ander is. Ik slikte nog net op tijd de zin „Waar is René?” in en gaf Willy een hand. Aardige man in vrijetijdskleding. In niets meer zag ik de slanke, hardwerkende middenvelder terug die destijds als bijnaam ‘de stofzuiger’ kreeg.

Met zijn achterste leunend op een tafel, begon hij uit zichzelf te praten over het toernooi in Argentinië. „Ernst Happel, dat is voor mij echt de allergrootste trainer. Die man had zo’n uitstraling. Hij zei bijna niets. Als ik tijdens het toernooi 33 seconden met hem gepraat heb, is het veel.”

Ik zou het Marco van Basten willen aanraden; praat niet meer dan 33 seconden met voetballers. Met Clarence Seedorf liep het soms uit op sessies van meer dan een uur. Daar houdt coachen op en begint een oeverloze praatsessie.

Even proberen, 33 seconden voor Arjen Robben. „Arjen. Koffie? Lekker gepingeld tegen Wales. Goal was goed. Sta je in hopeloze positie, schiet dan niet zelf, maar kijk om je heen. Ruud staat daar niet voor niets. En verder, zet je gezicht eens wat minder zorgelijk. Ik zie je in de wedstrijd tegen Italië. De volgende! Dirk, kom maar binnen.”

Willy herinnerde zich de dagen voor de finale in Buenos Aires. Argentinië was de tegenstander. Happel bleef er kalm onder.

„Op de training kwam hij op me af en zei alleen maar: Willy, die Argentijn met dat lange haar, hoe heet-ie, Mario Kempes, die is voor jou. En weg was hij weer. Dat was lekker duidelijk. Ik kreeg er een enorm vertrouwen van.”

Terug in Wageningen. Nog vijf minuten voor aanvang. Willy liep nog een rondje door de kleedkamer. Ik meende uitbundige haargroei uit zijn rechteroor te zien, maar bij nadere bestudering bleek het om een minuscuul gehoorapparaatje te gaan. Ik verwachtte zo’n ding eigenlijk eerder bij een gepensioneerde staalarbeider dan bij een ex-voetballer.

In de zaal vertelde Willy dat die finale in 1978 de mooiste dag in zijn leven was. „Mooier dan mijn trouwdag. Die sfeer in dat stadión, ik krijg wéér kippenvel.”

Willy legde de klemtoon op –ion. Ik nam onmiddellijk aan dat ik het al die jaren verkeerd had gezegd en begon binnensmonds alvast te oefenen met stadión.

Willy kreeg applaus, zwaaide en liep als winnaar van een verloren finale naar de parkeerplaats.

Zo gaat het dus als je in een voetbalfinale hebt gespeeld. Na dertig jaar kun je er nog steeds over vertellen in een achterafzaaltje. En iedereen kijkt je vertederd aan.