Witrijt – Steensel

Het bos achter Witrijt zuigt wandelaars op, dat weet ik zodra ik man op slag zie verdwijnen tussen bosbesstruiken en bomen, nadat hij over een gladgevreten stam is geklommen. Ik volg, klauter en versmelt ook met het zandpad dat smaller en smaller wordt, tussen natte dennen met grijptakken en rafelige eiken. Het groen trekt me mee, de lupines voorbij die hommels in hun wufte kelken logies en ontbijt (en de rest) bieden. Uit een onzichtbaar nest klinkt gesnerp: honger!

Het broeierige licht maakt grond en blad geurig. Wolken houden de zon weg, niettemin wiegen er zonlichtvlekken tussen de stammen, daar kan geen hemelgrijs iets tegenin brengen.

Het bos verwent de wandelaar met kijkjes op struiken en bomen die een wajangspel opvoeren. In de diepte bonkt een stel ruiters in galop.

Net als ik nooit meer weg wil, spuugt het bos me uit in een veld met korenbloemen blauw en kamille per vracht. Nu vouwen de bomen zich om een luie brede laan. Maar niet voor lang.

We volgen een hooggelegen pad. Het is niet meer dan een streep, bij elkaar gehouden door de wortels van de berken. We wringen ons een statig moerasgebied binnen: de Cartierheide. Zeg ‘Cartier’ en ik denk: diamonds are a girl’s best friend. Hier zet Cartier een juweel van een ven in zijn etalage, vol waterleliebedden. Er zijn ‘blub’-zeggende kikkers, en er zwemmen eenden en zo. Er is vooral een kokmeeuwenkolonie die huist tussen de hoge scherpe halmen langs de oevers en op de eilandjes. Door de vogelkijker zien we de meeuwen nestelen (leggen ze Fabergé-eieren?) en een hoop heibel maken. Bij honderden schreeuwen ze, cirkelen ze, ze hebben veel aan hun zwarte koppen. Ze stijgen op, komen terug met iets in hun snavel, laten zich fladderend tussen de halmen zakken.

Voort, we moeten voort, langs poeltjes met een vlies over hun donkere water, langs knerpende kikkers, door wolken mugjes in de aanval. „Wat zijn dat voor bruine kogeltjes?” vraagt man zich af. Dat zijn geschrokken patrijzen.

Over de weilanden waait muziek, trombones, trommen, geen taptoe, maar pop. „Jan Klaassen was trompetter....” In Eersel ontrolt zich een festival voor blaaskapellen. Even kijken. Nog éven kijken: lekker geschetter, en de gezelligheid van overal muzikanten in uitbundige kostuums met veren, ruches en laarzen.

De rust van de route vermoeit, want biedt vooral wandelcorvee. Coniferenplantages zijn weinig enerverend, de weg is hard en braaf, zelfs de wolken doen hun best niet.

Man neuriet een fanfareboogie. Dat maakt alles goed.

Joyce Roodnat

16 km. Kaarten 54, 55, 56 uit: Grenslandpad. Uitg. Wandelplatform-LAW, 2004. Tel. taxi 0492 543000.