Wiskundemeisjes

Margriet van der Heijden

Jongens zijn goed in wiskunde, meisjes doen het beter met lezen. Dat komt, zo wordt tenminste vaak beweerd, doordat hun hersenen aan jongens ruimtelijk inzicht geven, terwijl meisjes juist een talig brein hebben.

Maar zo simpel ligt het niet, schrijven vier economen onder aanvoering van Paola Sapienza van de Northwestern University in Illinois (Verenigde Staten) deze week in het wetenschappelijke tijdschrift Science. Zij bekeken de wiskundescores van 276.165 vijftienjarige jongens en meisjes in veertig landen, en zetten die af tegen de gelijkheid tussen man en vrouw in die landen. Hoe meer gelijkheid tussen man en vrouw, zo vonden zij na uitgebreid onderzoek, des te kleiner het verschil tussen de wiskundescores van jongens en van meisjes. In meer gelijke landen dichten meisjes de ‘wiskundekloof’.

De mate van gelijkheid definieerde het team met (onder meer) de Gender Gap Index van het World Economic Forum, die is gebaseerd op arbeidsparticipatie van vrouwen, op hun scholing, politieke deelname en welbevinden. De wiskundescores kwamen uit het internationale PISA-onderzoek. Dat toetst niet het onderwijsniveau, en óók niet de technische wiskundevaardigheden van kinderen, maar beoordeelt of ze alledaagse problemen, die analytisch of ruimtelijk denken vergen, vaardig kunnen oplossen. “We gebruikten zo veel mogelijk ‘harde gegevens”, zegt Sapienza.

Is de PISA-test zuiver genoeg?

Sapienza: “Het is de beste test die we hebben en hij bevestigt het verschil tussen jongens en meisjes dat we ook in andere wiskundetests zien opduiken. ”

Verraste de verschillen tussen de landen u?

“Tot nu toe was vooral in de Verenigde Staten onderzoek naar de wiskundekloof gedaan. Maar nu zien we dat het patroon van land tot land verschilt. In IJsland, Thailand en Indonesië is de kloof verdwenen. In het Verenigd Koninkrijk, Nederland en in Zweden is het verschil zo klein dat het statistisch niet significant meer is. En in de meeste landen is sprake van een bredere kloof.”

U ziet een samenhang tussen die kloof en de (on)gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Zijn de zes landen die u net noemde niet gewoon uitzonderingen op de regel ?

“Nee, we vinden een samenhang voor de hele reeks van landen. In ons statistisch model verloopt de mate van gelijkheid tussen man en vrouw (uitgedrukt in een cijfer tussen 0 en 1, red.) langzaam tussen twee uitersten, en de wiskundekloof gaat daarmee gelijk op. Er is geen enkel land waarin mannen en vrouwen helemáál gelijkwaardig zijn – dat zou een 1 opleveren – maar de trend is: de wiskundeprestaties van meisjes worden beter als de gelijkheid tussen man en vrouw toeneemt. Oók bij de leerlingen met de hoogste scores.”

Op welke manier kan gelijkheid de wiskundeprestaties beïnvloeden?

“Nou, onze resultaten laten eenzelfde trend zien als het om de ‘leeskloof’ gaat. Als mannen en vrouwen gelijkwaardiger zijn, gaan meisjes óók beter lezen – de leeskloof wordt nóg breder. Het is een effect over de hele linie.

“Interessant is natuurlijk om te zien hoe het tot stand komt. Niet doordat jongens slechter gaan presteren in meer gelijkwaardige samenlevingen in elk geval, want ook hún scores gaan omhoog. Zowel jongens als meisjes gaan het beter doen, alleen gaan meisjes meer vooruit.”

Hoe moet dat met de jongens dan?

“Die vraag is me de laatste dagen het vaakst gesteld, vooral door mannen. Maar ik denk niet dat dit slecht nieuws voor jongens is, tenzij je een heel competitieve blik op de wereld hebt. Meisjes die beter presteren, doen geen kwaad.”

Worden biologische verschillen overschat?

“Dat weet ik niet. Misschien kan de hogere score van meisjes bij lezen uit de biologie worden verklaard. En we zien wat verschillen in deelgebieden: jongens doen het iets beter bij ruimtelijke taken en het verschil met meisjes is juist het kleinst bij rekenen. De kern is: we hebben aangetoond dat ook omgeving een rol speelt.”

In Nederland is de wiskundekloof klein, maar toch kiezen weinig vrouwen voor een bétastudie. Heeft u daarvoor een verklaring?

“Daarover ging ons onderzoek niet, maar dit is wat ik denk: om iets te gaan studeren heb je aanleg nodig én voorkeuren. En voorkeuren zijn fascinerend omdat ze op op een ingewikkelde manier door aanleg en omgeving worden gestuurd. Er spelen dus veel motieven mee, om van score naar keuze te gaan.”