Wij kinderen en onze dromen

Voetbalfilosofen en trainers hebben een nieuw begrip aan hun vocabulaire toegevoegd: beleving. Voetballers moeten iets voelen, inzet en hartstocht tonen. Het monopolie op beleving krijgen ze niet. Ook wij toeschouwers beleven van alles, zoals overwinningsdromen uit onze kindertijd.

Illustratie Pepijn Barnard barnard, pepijn

‘De beleving op de training is vaak beter dan in de wedstrijden”, zegt Louis van Gaal. Hij knijpt zijn lippen samen en kijkt priemend in de camera. Voetbalclub Vitesse zegt op de website ‘de combinatie tussen voetbal en beleving’ te willen verdiepen. De Belgische voetbalbond ziet het opkrikken van de beleving rond de Rode Duivels als het redmiddel voor het keer op keer tragisch falende nationale elftal. Techniek en loopvermogen zijn niet meer voldoende. Er moet ‘beleving’ zijn, anders wordt het niets.

Van tijd tot tijd duikt er een nieuw begrip op in het vocabulaire van de voetbaljournalisten. ‘Handelingssnelheid’ was zo’n plotseling bovendrijvend concept dat ineens door alle analisten werd gebruikt. ‘Gogme’ was ook zo’n woord. Nu is het, sinds enkele jaren, ‘beleving’. Niemand geeft er een definitie van, dus je moet uit de steeds wisselende context gaandeweg ontdekken wat het begrip precies behelst. Het heeft iets met gevoel te maken, met inzet, met waakzaamheid.

In mijn vak, de psychoanalytische psychotherapie, waaien ook sinds een paar jaar wat nieuwe termen rond: ‘mindfulness’ en ‘mentalisatie’. Dat zijn zaken waar je met patiënten aan moet werken. Ze zullen ervan opknappen. Definities zijn gemakkelijker te formuleren dan in het geval van de voetbalbeleving. ‘Mindfulness’ is het bewustzijn van hetgeen in het hier-en-nu aanwezig is, het gaat om de geconcentreerde aandacht waarmee je het actuele heden beleeft. Próéf die appel, zie de glimmende schil, belééf je honger. ‘Mentalisatie’ gaat verder. Iemand die mentaliseert, heeft niet alleen weet van wat er in hemzelf omgaat, maar maakt op grond van die wetenschap mentale representaties, van hemzelf maar ook van de ander, die hij een gevoelsleven toedicht analoog aan het zijne. De representaties stellen het mentaliserende zelf in staat om over eigen en andermans gevoelens, motieven en handelen te reflecteren.

Een hoop abstract geklets om aan te duiden dat het goed voor mensen is om thuis te zijn in hun binnenwereld, want dat maakt het hun mogelijk te doen wat ze willen doen en het stelt hen in staat het gedrag van anderen te begrijpen. Het ging er in de psychotherapie altijd al om mensen in contact te brengen met hun echte gevoel; de moderne begrippen kan je zien als nieuwe zakken voor oude wijn.

Het is opmerkelijk dat ‘beleving’ en ‘mindfulness’ in dezelfde periode op totaal verschillende gebieden verschijnen. Is de tijd rijp voor hernieuwde aandacht voor de emoties? Heeft de ratio afgedaan? Dat zou kunnen.

Voetballers moeten tegenwoordig dus iets voelen, ze moeten mee in de flow, ze moeten inzet en hartstocht tonen en in gedrag en bewegingen van hun beleving getuigen. Het monopolie op beleving hebben ze niet; ook de toeschouwers, thuis of langs het veld, beleven van alles.

Mijn voetbalvrienden, zéér deskundige en theoretisch onderlegde voetbalkenners, tonen nooit veel beleving. Eerder zíjn ze beleving, vallen ze ermee samen. Ze ademen voetbal zoals een musicus muziek ademt. Als ze met je praten overheerst de cognitieve, rationele benadering. Ze analyseren het verloop van de wedstrijd, ze typeren de spelers en inventariseren de eigenschappen van de oefenmeesters. Ze juichen niet. Oranje hoedjes heb ik ze nooit zien dragen.

Een groot deel van het publiek volgt hun gedachtengang met instemming. De afgelopen anderhalf jaar is er getwijfeld aan de coachingscapaciteit van de trainer van het Nederlands elftal. Men besprak de armelijke verdedigingslinie, het gesol met de spitsen, de conflicten tussen coach en spelers. Men schudde het hoofd: succes op het EK kunnen we vergeten. Dat wordt helemaal niets.

Je zou dit een realistische, bijna empirische beoordeling kunnen noemen, gemaakt door volwassen mensen op grond van hun observaties. Maar als voetballiefde louter een kwestie was van door ratio gevoede belangstelling voor het spel zou de kijker ondanks het falen van de eigen ploeg plezier kunnen hebben in de perfectie van de sterkere tegenstander. Mijn voetbalvrienden hebben dat ook.

Bij het grote publiek, en ook bij mij, gebeurt er iets anders. We gaan geruime tijd mee met de volwassen blik op het elftal, kijken kritisch naar de moeizame kwalificatiewedstrijden tegen landjes als Luxemburg en Andorra en relativeren de kansen op deelname aan het EK. De mogelijkheid om daar een aardige prestatie neer te zetten achten we uitgesloten.

Het wordt lente. Er staat een foto in de krant van het hotel waar de spelers zullen slapen. De bondscoach scheert zijn haar af en selecteert dertig mogelijke spelers. Het gaat gebeuren. De loting voor de groepswedstrijden verloopt rampzalig: Frankrijk, Italië, Roemenië – de sterkste tegenstanders. Hoogst onwaarschijnlijk dat Nederland enige kans maakt dat te overleven.

Wij schrijven de data van de wedstrijden in onze agenda. Ik betrap mezelf erop dat ik me afvraag of ik nog een oranje bloesje achter in de kast heb liggen. In de hersenen van het publiek gaan gedachten rond die steeds minder getuigen van een rationele kijk op de zaak. Van Roemenië winnen we gemakkelijk. Frankrijk moet lukken. Gelijk spelletje tegen Italië. Binnen!

Kinderfantasieën zijn het, overwinningsdromen, jongensromantiek. Met de realiteit heeft dit denken niet veel meer te maken. Het lijkt of er in de loop van de tijd tussen de voorbereiding en de start van het EK een regressieve beweging plaatsvindt: de volwassen blik wijkt voor de kinderfantasie, beschouwing wordt beleving. Zo vreemd is dat niet, het kind dat wij waren blijft in ons aanwezig en resoneert altijd wel enigszins mee in ons volwassen denken en, vooral, voelen. Het is wel eigenaardig dat dit verschijnsel zo massaal optreedt en kennelijk zo enorm aantrekkelijk is dat verstandige mensen zich er kritiekloos en met vreugde aan overgeven. Waarom?

Machteloosheid is zo’n beetje het ergste gevoel dat je kan overkomen, het moeilijkst te verdragen, het meest gekmakend. Je hebt je zinnen hartstochtelijk ergens op gezet, maar het gebeurt niet en je kan daar niets aan doen. De peuter wil de hoogste toren ooit bouwen en ziet hem voor zijn voeten ineenstorten, de puber is grenzeloos verliefd en wordt afgewezen, de volwassene rekent op zijn schitterende nieuwe baan, maar krijgt hem niet. Verschrikkelijk.

Mensen voelen zich vernederd als ze machteloos worden gemaakt, ze schamen zich en de machteloosheid knaagt aan hun zelfwaardering. Ze voelen zich waardeloos en worden daar somber van. Om zichzelf te troosten, gaan ze fantaseren.

Kinderen hebben een rijke ervaring met machteloosheid. Er is zoveel dat zij nog niet kunnen, nog niet begrijpen, nog niet bezitten. Ze compenseren het onvermogen met hun spel. Daarin zijn ze de grootste, de snelste, de sterkste. Iedereen heeft als kind deze troostfantasieën gehad.

Het voetbalspel is bij uitstek geschikt om deze fantasieën weer tot leven te wekken en het Nederlands elftal lijkt er bijna een eer in te stellen om dit proces te faciliteren. De verwachtingen worden hoog gespannen: we hebben de beste spitsen van de wereld, onze trainers zijn overal succesvol, we worden kampioen met de vingers in de neus. Maar kampioen worden we nooit, want er wringen zich gemiste strafschoppen, smerige overtredingen en blinde scheidsrechters tussen droom en daad. De rationeel denkende, volwassen voetbalkijker ziet het fiasco van verre aankomen. Het elftal kan de balans niet vinden, speelt als een natte krant en gaat aan onderling gekrakeel ten onder. Nu is er nog hoop, het duurt nog even voor het zover is, de trainer zit in een leerproces. Maar teleurstelling en de bijbehorende machteloosheid sluipen naderbij, volgende week gaat het EK van start en het publiek begint de kop in het zand te steken. Ruim baan voor de fantasie. Nu kunnen de oranje vlaggetjes boven de tv worden opgehangen. Het kritisch beschouwen is voorbij en de troostrijke beleving komt ervoor in de plaats.

Het is alsof de volwassen, verstandige persoon die wij meestal zijn even alle discipline en verantwoordelijkheid laat varen. Hij laat daarmee de gruwelijke machteloosheid tegenover het ‘echte’ leven achter zich, of dat nu gaat over orkanen in Azië of over de zinloze plicht de beste zorgverzekering of energieleverancier te kiezen. We weten niet tegen wie we eigenlijk vechten, we voelen dat we belazerd worden, maar kunnen de inzet van de strijd niet achterhalen. We hebben geen reden om onze politieke leiders en voormannen te vertrouwen en er is helemaal niemand die in de gaten houdt of er, in welk gevecht ook, recht wordt gedaan. Machteloos zakken we achterover op de bank. Bier. De televisie gaat aan en er ontvouwt zich een overzichtelijke wereld, volstrekt tegengesteld aan de ordeloze narigheid waarmee we elke dag te maken hebben.

In het gevecht dat zich op het scherm gaat afspelen, is er een doel. Het is zichtbaar tussen twee palen aan de rand van het veld. Er zijn grenzen, witte krijtlijnen die het slagveld markeren en een grote klok die de strijd afbakent in de tijd. De strijders lopen door de spelerstunnel naar buiten, met ernstige gezichten. De tegenstanders zijn, zo anders dan in het gewone leven, herkenbaar aan hun afwijkende uniformen. Onze eigen ploeg draagt feloranje. Daar kan geen andere kleur tegenop. De jongens staan er niet alleen voor, ze worden omringd door vriendelijke mannen met waterflessen en noodverbanden. De trainer is een meelevende en steunende vader die weet heeft van de betekenis van dit gevecht. Iemand die betrokken is, iemand die helpt. Hij blijft naast het veld staan, vlakbij zijn jongens. De wedstrijd speelt zich niet af in rechteloosheid; er zijn regels en die worden gehandhaafd. Dat doet de scheidsrechter. Als hij op zijn fluit blaast, valt het bitterste handgemeen stil.

Verschillende geleerden hebben beweerd dat de voetbalwedstrijd bij uitstek geschikt is om, in gesublimeerde vorm, allerlei dubieuze gevoelens aan te beleven. De zucht naar heldendom, de hang naar vaderlandsliefde, het verlangen naar oorlog. Ik ben ervan overtuigd dat ze gelijk hebben. Ook denk ik dat de aanblik van 22 voetballers in elk geval bij de mannelijke toeschouwers herinneringen wakker roept aan een prettige, relatief conflictvrije periode uit hun jeugd. Een tijd, zo tussen de tien en dertien jaar, die gekenmerkt was door het belang van lichamelijke vaardigheden, de vreugde in het samenspelen en de bevrediging die ongecompliceerde jongensvriendschap verschaffen kan. Voor de kijkende vrouwen geeft het schouwspel misschien een glimp van het antwoord op de vraag hoe het is om een jongen te zijn.

Allemaal waar. Allemaal aantrekkelijke verklaringen voor de uitgebroken oranjekoorts. Ze leggen het af tegen het genot van de regressie, tegen de bevrijding uit de machteloosheid, tegen de vlucht in de kinderfantasie. Niks beschouwing. Het is tijd om te gaan beleven. Gisteren heb ik een bak oranje afrikaantjes gekocht. Straks fiets ik even naar de bakker voor de eerste oranje tompoezen.

Anna Enquist is schrijver, dichter en psychoanalytica.