Wennen aan dure olie

Een derde oliecrisis dreigt. In 1973-1974 draaiden sjeiks de kraan dicht, uit onvrede met het Israëlbeleid van westerse landen. In 1979-1980 schreef het Centraal Planbureau de prijsstijging van het zwarte goud voor een deel toe aan speculatie. Bij sommigen staan speculanten opnieuw in de beklaagdenbank. Dit keer ligt de oorzaak echter elders. Ruwe aardolie is zo duur geworden, doordat het aanbod structureel achterblijft bij de groeiende vraag. Het in exploitatie nemen van nieuwe olievelden vergt geldverslindende investeringen, omdat het laaghangende fruit – in de vorm van goedkoop winbare velden – langzamerhand wel is geplukt. Weliswaar beschikken oliemaatschappijen over het voor investeringen benodigde miljardenkapitaal, maar zij voelen toenemende politieke druk van belangrijke productielanden, zoals Rusland en Nigeria, die hun invloed en winstaandeel willen vergroten. Dit maakt de grootste oliemaatschappijen huiverig om miljarden te steken in de jacht op nieuwe oliebronnen. Ondertussen groeit de vraag onstuimig door de economische opkomst van met name China, India en Brazilië.

Het is onvermijdelijk dat bedrijven en consumenten in het rijke Westen inschikken, om plaats te maken voor nieuwe verbruikers uit deze opkomende economieën. Dit aanpassingsproces verloopt marktconform, via steeds hogere prijzen voor brandstoffen, maar gaat gepaard met maatschappelijke onrust. In Frankrijk protesteren vissers tegen de hoge prijs van gazole, vrachtwagenchauffeurs blokkeren inmiddels ook in Spanje en het Verenigd Koninkrijk wegen en bruggen. Het lijkt een kwestie van tijd voordat ook in ons land de vlam in de pan slaat. Onlust leeft niet alleen bij ondernemers. Overal in Europa winden consumenten zich op over hun dalende koopkracht. Als tegemoetkoming heeft de Franse regering inmiddels de benzineaccijns verlaagd, een voorbeeld dat de Belgen hebben gevolgd.

Ook in ons land stagneert dit jaar de koopkracht. Sterker, heel wat mensen zien hun bestedingsruimte slinken. De druk op minister van Financiën Bos neemt toe om in de voetsporen van de zuiderburen te stappen. Anders dan de koopkracht geeft de bewindsman tot nu toe echter geen krimp. Hij stelt dat verlaging van de benzineaccijns betekent dat andere belastingen omhoog moeten. Autorijden wordt dan iets goedkoper, maar na een compenserende verhoging van bijvoorbeeld de loonbelasting blijft er netto minder van het brutosalaris of pensioen over. Per saldo zijn de burgers zo niet beter af.

Op deze redenering valt wel iets af te dingen. Wanneer de benzineprijs met 10 cent stijgt, pakt de overheid dankzij het btw-tarief van 19 procent automatisch bijna 2 cent extra omzetbelasting mee. Die 2 cent kan de regering via een accijnsverlaging aan de burgers teruggeven, zonder dat de schatkist schade lijdt.

Deze voor de hand liggende redenering strandt echter op een clausule uit het regeerakkoord. Meevallers bij de belastingopbrengst – door welke oorzaak ook – zijn bestemd voor (verdere) verbetering van het saldo op de rijksbegroting. Brengt bijvoorbeeld de winstbelasting meer op dan geraamd, omdat het bedrijfsleven tot nu toe weinig last heeft van de economische vertraging in de Verenigde Staten en de kredietcrisis, dan gaat het tarief van de vennootschapsbelasting evenmin omlaag. Dat is zuur, maar de medaille heeft ook een zoete kant. Wanneer onze economie onverhoopt vaart verliest en de belastingopbrengst daardoor tegenvalt, gaan de tarieven ook niet extra omhoog om de schade voor de schatkist te repareren. Dat is maar goed ook, want onder deze omstandigheden zou belastingverzwaring de afkoeling van de economie slechts versterken.

Het spiegelbeeld is dat onverwachte meevallers niet worden teruggegeven. Terecht, want bij een eenzijdig beleid – takstegenvallers aanvaarden en -meevallers restitueren – zou het begrotingssaldo alleen kunnen verslechteren en op den duur onhoudbaar worden.

Hoe dan ook, een eventuele verlaging van de accijns op diesel en benzine zal de pijn door wereldwijde aanpassingsprocessen als gevolg van het schaarser worden van olie alleen maar tijdelijk verdoven.

Bovendien leren cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat de soep niet zo heet wordt gegeten als zij door demonstrerende vissers, boeren en truckers wordt opgediend. Sinds 1970 heeft onze munt driekwart van zijn waarde verloren. Al is benzine inmiddels ruim zes keer zo duur als aan de vooravond van de eerste oliecrisis, reëel – gecorrigeerd voor de geldontwaarding – was de benzineprijs eind april 2008 amper anderhalf keer zo hoog als bijna veertig jaar geleden. Het reële inkomen per hoofd van de bevolking is in deze tijd eveneens toegenomen, gemiddeld met bijna 90 procent. Uit die extra ruimte in de gezinsbudgetten kan de hoge benzineprijs zonder veel bezwaar worden opgebracht. Wel is het onontkoombaar dat gezinnen met één of meer auto’s op andere posten binnen hun budget beknibbelen, of wat minder kilometers maken. Dat is alleen maar goed voor het milieu en maakt de files wat korter.

Ondernemers in energie-intensieve bedrijfstakken krijgen mogelijk hulp. Het Franse voorzitterschap van de Europese Unie zal zich vanaf juli sterk maken voor matiging van de accijnzen op diesel en benzine. Maar eerst zien, wat deze zoveelste toezegging van president Sarkozy waard is.