Taboe-uitruil

Het is moeilijk marchanderen met mensen die menen door God gestuurd te zijn. Gelovigen zijn slecht in compromissen als hun heilige kernwaarden in het geding zijn. Zo kunnen niet-onderhandelbare, lokale problemen doorsijpelen naar de rest van de wereld, zoals in het Midden-Oosten. Niet alleen Bin Laden beschouwt het Palestijns-Israëlische conflict als de vlam die het mohammedaanse activistenvuur doet oplaaien. Lokale conflicten kunnen ook uit de hand lopen. Als Iran en Israël elkaar met atoombommen gaan bestoken, kan de fall-out ver reiken. Bij de zestigste verjaardag van de staat Israël had ik daarom meer aandacht verwacht voor de wetenschap van de conflictbeheersing in plaats van die voorspelbare stukjes over de slechtheid van Joden en Palestijnen. Ter compensatie wat recente resultaten van wetenschappelijk onderzoek over taboe-uitruil.

In mei 2007 stond daar een aardig artikel over van Ginges e.a. in de Proceedings of the National Academy (PNAS) van de US. De vraag was een simpele: hoe kun je Palestijnen en Israëliërs er toe krijgen om compromissen te aanvaarden over kwesties, die de scherpslijpers als niet onderhandelbaar beschouwen vanwege hun religieuze lading? Helpt het als je geld biedt, of is er iets anders nodig voor een compromis?

De auteurs onderzochten dit bij Israëliërs die wonen in nederzettingen die ontruimd moeten worden voor een Palestijnse staat (de settlers); bij Palestijnse vluchtelingen; en bij Palestijnse studenten, van wie ongeveer de helft Hamas steunde. Iedere groep kreeg een aangepaste vraag: de Israëliërs of zij bereid zouden zijn om “Land van Israël” op te geven in ruil voor vrede; de Palestijnse vluchtelingen of zij bereid waren om af te zien van hun recht op terugkeer naar hun oorspronkelijke huis en land; en de studenten of zij de Palestijnse aanspraken op Jeruzalem zouden willen opgeven.

In alle groepen waren er rekkelijken en preciezen. De rekkelijken waren in principe tegen compromissen, maar konden worden omgekocht. Zij waren bereid iets van hun principes op te geven, als daar maar voldoende baat tegenover stond. De preciezen waren niet bereid tot zo’n rationele kostenbaten- analyse. Hun heilige (geloof)principes waren niet onderhandelbaar. Integendeel, deze morele fundamentalisten werden juist feller tegen ieder compromis, naarmate meer geboden werd.

Wat dan? Als alternatief onderzochten de auteurs het effect van taboe-uitruil: als mijn God wat inbindt, kan de jouwe dan ook wat matigen? Dat bleek effectiever. Zou Israël erkennen dat Palestijnen ook recht hebben op een eigen staat en excuus aanbieden voor alle ellende die de Palestijnen is aangedaan, dan waren de Palestijnse studenten eerder geneigd om de godsdienstige en historische rechten van het Joodse volk op Israël te erkennen. Voor de andere groepen bleek dit ook op te gaan. De Palestijnse vluchtelingen waren eerder geneigd om af te zien van hun recht op terugkeer als Israël zijn “heilige” rechten op de Westelijke Jordaanoever zou opgeven. Waar het op neerkomt, is dat de andere partij ook bereid moet zijn om eigen kernwaarden ter discussie te stellen om tot een compromis te kunnen komen.

Voor mensen met enige kennis van psychologie zijn dit geen onverwachte resultaten. De vraag is of je er iets mee kunt in de praktijk om het conflict op te lossen. Daar komt één van de auteurs, Scott Atran, op terug in een artikel in Science (2007; 317: 1039). Atran heeft gesproken met kopstukken die direct bij het conflict zijn betrokken. Ik citeer een paar uitspraken: Een voormalige Israëlische generaal ziet in dat “de weigering van Hamas om Israëls recht op bestaan te erkennen, een essentieel onderdeel is van zijn kernwaarden.” Waarom zouden ze anders al die misère in de Gazastrook over zichzelf afroepen? Een Hamas-woordvoerder zegt dat “Hamas in principe geen probleem heeft met een Palestijnse staat, uitgaand van de grenzen van 1967. Maar laat Israël eerst excuus aanbieden voor het drama dat ons in 1948 is aangedaan. Dan kunnen we onderhandelen.”

Excuus, dat is niet erg rationeel, maar zulke symbolische concessies zijn kennelijk nodig om het gesprek op gang te brengen. Dat gesprek kan nog even duren. Zoals Manzouk, de voormalige voorzitter van Hamas, tegen Atran zei: “Ja, excuus is belangrijk, maar het is alleen het begin.” Ook Netanyahu, voormalig Israëlisch premier, vindt het belangrijk dat Hamas het bestaansrecht van Israël erkent, maar wil dan ook dat de Palestijnen de anti-semitische teksten uit hun leerboeken verwijderen. In één adem voegt hij daaraan toe dat er ook nog wat grenscorrecties nodig zijn om het Ben Gurion vliegveld buiten het bereik van primitieve raketten te brengen.

Ook in eigen kring in het Midden-Oosten is aandacht voor spirituele waarden noodzakelijk om de scherpslijpers mee te krijgen. Een lid van de Amerikaanse National Security Council vertelde Atran over zijn gesprekken met wijlen Sharon: “Toen de settlers (kolonisten) uit Gaza verwijderd moesten worden, had Sharon hun niet moeten verwijten dat ze Israels geld verspilden en het leven van soldaten in gevaar brachten. Sharon had, zo vertelde hij zelf, een symbolische concessie moeten doen en de kolonisten moeten prijzen als zionistische helden die zich opnieuw voor Israël opofferden door de Gazastrook op te geven”.

Wie het niet opbrengt om de existentiële “heilige” waarden van de fundamentalisten te erkennen, komt niet ver in het Midden-Oosten. Zonder interventie van een Amerikaanse president zal het ook wel niet gaan. Na Clinton is de klad gekomen in die interventies. Gelukkig loopt de primitieve George W. Bush op zijn laatste benen. Zijn opvolger, of het nu McCain of Obama wordt, lijkt beter toegerust om de wetenschappelijke basisprincipes van de conflictbeheersing te begrijpen.