Stukgeschoten panorama

In Sarajevo kan een toerist een rondrit maken langs de levende herinneringen aan de oorlog. De stad is mooi, maar ze is onlosmakelijk verbonden met de dood.

In de film Teško je biti fin (It’s hard to be nice) van de Bosnische regisseur Srdan Vuletic, over een taxichauffeur in Sarajevo die ondanks tegenkanting van de lokale maffia een eerlijk en menswaardig bestaan probeert op te bouwen, zit een scène waarin de taxichauffeur bijklust als gids. Hij rijdt met zijn nieuwe, blinkende Renault tot in de heuvels van Republika Sprska, het Servische deel van Bosnië-Herzegovina net buiten het centrum van de stad, met drie Japanse toeristen aan boord. Ze bekijken er de verroeste, volledig aan flarden geschoten bobsleebaan, die dateert van de Olympische winterspelen van 1984. In onhandig Engels probeert taxichauffeur Fudo uit te leggen dat het allemaal heel jammer en pijnlijk is, maar dat het nu wel voorbij is. Mensen zoals hij willen gewoon weer in een normaal land leven, dus ze moeten nu weer snel verder. Om te illustreren hoe moeilijk dat is, worden ze even later overvallen.

Fudo bestaat echt. Hij heet Zijad Jusufovic, spreekt beter Engels en is iets rauwer en uitgesprokener dan zijn filmversie. Jusofovic was de eerste die na de oorlog en de belegering van Sarajevo een licentie kreeg als privé-gids in de stad. Hij is een ongewone gids, leeft volgens het principe ‘u vraagt, wij draaien’, heeft van de oorlog zijn specialiteit gemaakt en neemt je desnoods mee naar het voormalige huis van de door het Oorlogstribunaal in Den Haag gezochte Radovan Karadzic. Als moslim komt hij niet zo vaak in Pale, maar Jusufovic heeft er veel voor over om de herinneringen aan de oorlog levend te houden. „Dat is de enige manier om te hopen dat het nooit meer gebeurt”, denkt Zijad.

Of hij geen gewetensproblemen heeft, dat hij nu vooral de kost verdient met gidsen langs herinneringen aan die oorlog? „Ik heb nooit om die oorlog gevraagd. Ik was daarvoor perfect gelukkig, verdiende goed de kost en kon overal naartoe reizen. Ik kon trouwen met een mooie vrouw uit Belgrado, dat is nu bijna onmogelijk. Sarajevo is een prachtige stad, maar heeft ook een vreselijke geschiedenis. En iemand moet dat vertellen. Mensen verdringen te gemakkelijk, doen alsof er niks is geweest, alsof het leven daarna gewoon verdergaat.” Zoals Fudo in de film. „Helaas is dat niet zo. Het is pas als je de geschiedenis kent, dat je de toekomst kan zien.”

Dus liggen er in de hotels van Sarajevo folders van Jusufovic. Zijn populairste excursie is de ‘Mission Impossible Tour’. Die brengt je niet alleen langs de desolate bobsleebaan, die in al zijn armetierigheid symbool staat voor de betere tijden die de stad ooit heeft gekend. In dezelfde heuvels bezoek je een stukgeschoten restaurant, met een prachtig panoramisch zicht op Sarajevo, met zijn bibliotheek, moskeeën, katholieke kathedraal en orthodoxe kerken, netjes doormidden gesneden door de rivier Miljacka. Vroeger kon je met een kabelbaan vanuit de stad naar het restaurant reizen. „Twaalf minuten zweven”, mijmert Jusufovic. Vroeger hoorde je er joelende kinderen. Nu alleen het zachte gezoem van auto’s in de vallei, en af en toe het gekrijs van een vogel.

Even verderop ligt nog zo’n vernield gebouw, dat de bijnaam ‘Lover’s Hotel’ kreeg, omdat de inwoners van Sarajevo er wel eens een weekeinde doorbrachten met een buitenechtelijke geliefde. Tijdens de oorlog werd het ingericht als het hoofdkwartier van de Servische troepen, van hieruit beschoten de legers van Karadzic en Ratko Mladic de bekende bibliotheek aan de andere kant van de Miljacka. Met een spuitbus is een nummer aangebracht op de ruïne van het gebouw, zoals overal in Sarajevo. „Telefoonnummers”, zegt de gids. „Je kan het gebouw zo kopen voor een prikje.”

En zo voert Jusufovic de ene na de andere toerist van de ene naar de andere plek waar de horror van de oorlog nog zichtbaar en levendig is. Naar de 800 meter lange kruiptunnel onder de luchthaven, lange tijd de enige verbinding tussen de stad en het Bosnisch-Kroatische deel, waar 2 miljoen inwoners van de stad gebruik van maakten om voedsel en wapens te smokkelen en zo de Servische omsingeling te omzeilen. Naar het joodse kerkhof, uit 1568, het oudste van de Balkan. De grafzerken waartussen Servische sluipschutters zich schuilhielden liggen er nog bij zoals kort na het staakt-het-vuren van 1995, verwaarloosd en vol inslagen van granaten. Er is voorlopig geen geld om het kerkhof te herstellen. In een land met 45 procent werkloosheid heeft de regering andere prioriteiten.

Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Tussen de triestheid door heeft Jusufovic soms ook een opbeurend, menselijk verhaal. Het oude bejaardentehuis, naast de kantoren van de onafhankelijke krant Oslobodenje, is op het eerste gezicht niet anders dan weer een aan flarden geschoten gebouw. Geen vierkante centimeter te bespeuren zonder kogelinslag. „Maar al in de eerste uren van de oorlog werd het gebouw ontruimd, in het oude Joegoslavië werd respectvol omgegaan met oudere mensen. Ik ben na de oorlog Serviërs gaan opzoeken, gevraagd waarom ze een leeg gebouw toch zo hard beschoten. Het bleek voor hen een gemakkelijk, dankbaar doelwit. Als ze op het eind van de dag hun munitie maar hadden opgebruikt, dan waren hun leiders allang tevreden. Ze wisten dat er niemand was. Daarom schoten sommigen liever op deze muren. Het was hun vorm van stil protest.”

Bij de sobere gedenkplaat voor Suada Dilberovic en Olga Susic, een moslimmeisje van 24 en haar Servische vriendin van 28, liggen bloemen. Na een van de vredesdemonstraties op 6 april 1992 in het centrum van de stad, werden ze op een van de vele bruggen over de Miljacka, niet ver van het parlement, neergeschoten door sluipschutters uit de bergen. Suada en Olga gingen de geschiedenisboeken in als de eerste civiele slachtoffers van de burgeroorlog. Bij hun gedenkplaat op de brug worden nog iedere dag de bloemen ververst. Door moslims en Serviërs.

In het nabijgelegen Historisch Museum, dat zelf nog kreunt onder de sporen van de oorlog, is zichtbaar hoe de inwoners van Sarajevo de periode 1992-1995 hebben overleefd. Met kacheltjes die ze zelf maakten van gebruikte conservenblikken. Krantenpagina’s uit die tijd illustreren de vernieling van de stad. Aan de muur van een nagebouwde oorlogskeuken hangt een poster met een ‘oorlogsalfabet’ en een ‘ode aan de sigaret’. Als je gedroogde thee gerold in krantenpapier moet roken, kan echte tabak iemand lyrische ontboezemingen ontlokken. Op de keukentafel ligt een zak rijst met Amerikaanse stempel, ernaast staat een blikje cornedbeef, voorzien van de gele sterren op de blauwe achtergrond van de EU. Voor het museum is een maxiversie van die vorm van voedselhulp opgetrokken. Het monument is besmeurd met graffiti. Iemand heeft er ook een telefoonnummer op aangebracht.

En zo herinnert wel iedere plek in Sarajevo, met cynische humor of niet, aan de drie jaar durende belegering. Zelfs de prachtige brouwerij ten zuiden van de Miljacka ontsnapt er niet aan. Tijdens de oorlog was het vaak de enige plaats waar nog water verkrijgbaar was. Een gedenkplaat herinnert aan de zes mensen die omkwamen bij een aanslag, toen ze in de rij stonden te wachten voor water. Die gedenkplaten vind je overal in de stad, op de straat zijn rozen geschilderd, de rozen van Sarajevo.

Want hoe mooi de stad ook is, de dood is onlosmakelijk verbonden met Sarajevo. Dat wordt helemaal duidelijk aan de voet van de heuvel Zuc (Bosnisch voor gal, verduidelijkt Jusufovic), de laatste stopplaats van de Mission Impossible Tour. Achter ons ligt de heuvel, waar 500 mensen omkwamen bij de eerste aanval op de stad en bij het ontmijnen van het terrein. Links ligt het moederhuis, dat nu eindelijk wordt gerenoveerd met hulp van de Turkse en Zweedse overheid. Onder ons ligt het Kosevo-stadion waar de openingsceremonie van de Spelen van 1984 werd gehouden, nu de thuishaven van voetbalclub NK Sarajevo. Langs het stadion en rechts van de heuvels zie je alleen maar witte kruisen, begraafplaatsen met duizenden witte kruisen, ze delen allemaal hetzelfde sterfjaar: 1992. „Links ben ik geboren, in dit stadion heb ik het gelukkigste moment van mijn leven meegemaakt, rechts liggen tientallen van mijn vrienden begraven. Dit is mijn leven”, zegt Jusufovic.

Hij zegt het zonder verbittering. „In 1992 haatte ik de Serviërs, in ’93 de Kroaten, in ’94 mijn eigen mensen en in ’95 de internationale gemeenschap. In ’96 ben ik gaan denken, en ik besefte ik dat haat niet de oplossing is. De oorlog was simpel: je probeert te overleven. Maar hoe leer je weer te leven met elkaar na een oorlog? Dat is veel moeilijker.”

En toch is dat wat de levenslustige bevolking van Sarajevo doet. Koffiedrinkend op de terrasjes in de Bascarsija, het oude stadsdeel rond de houten fontein en de moskee. Schakend op het plein voor de economiefaculteit van de universiteit, onbeschaamd zoenend in de hippe City Pub, uitbundig dansend op vrolijke Bosnische folkmuziek in de Cinemas Club, een tot danstent verbouwde bioscoop. De jongeren spreken Engels, of Frans, of Duits, of zelfs Nederlands, het hangt er maar vanaf in welk land ze de oorlog konden ontvluchten. Maar ze keerden terug naar hun Sarajevo. Om er leraar Frans te worden, zoals Azra Cero, of Engels te leren aan kleuters in een Montessorischool, zoals Emira Memic. Alleen de rivier Miljacka is er ooit in geslaagd om Sarajevo in twee te delen, meent Jusofovic. Of zoals Azra zegt: „Zelfs al is het hier soms vreselijk, het is wel onze stad. Onze geweldige, mooie stad.”