Stille aanval, gezang en gebrom

Karel Knip

Het heeft de hele dag geregend maar is inmiddels droog geworden. De wind is weggevallen, de bomen druppen nog na en het is zo vochtig dat de adem zichtbaar wordt. Langzaam kruipt het duister uit het woud.

Dan zetten de knutjes geluidloos de aanval in. Bij honderden, bij duizenden. Nooit eerder waren er zo vroeg zoveel knutjes in de Ardennen. De eenzame kampeerder ziet zijn vredige avondje definitief verloren gaan. Hij overweegt een vuur aan te leggen en vraagt zich af waar dat moet komen om de tent net in de rook te krijgen. Met behulp van een lucifer gaat hij na uit welke hoek het laatste restje wind waait.

En dan wordt opeens een prachtig verschijnsel zichtbaar. De dunne rook die het vlammetje opwekt blijkt de kern voor de condensatie van de waterdamp die in zo hoge concentratie aanwezig is. Terwijl het wolkje zachtjes wegdeint tussen de zwarte stammen wordt het langzaam dikker en groter. Een volle minuut later is het nog steeds in de verte te zien.

Het is de bevestiging van een vermoeden dat hier een paar jaar geleden werd besproken: dat ook in de rook uit de mond van de verstokte roker die bij de rookzuil van de NS zijn vuile adem uitblaast condensatiekernen zitten die soms bij koud weer zichtbaar hun werk doen. Bij koud weer is de rookwolk van de roker ongewoon wit. Hij is meer dan de som van de sigarettenrook en de gewone ademwolk. Dat was dat vermoeden.

En nu, hier in de Ardennen, werd dat vermoeden bevestigd. Je zag de rookwolk geleidelijk dikker en groter worden en dat bij elke lucifer opnieuw. Volkomen reproduceerbaar.

Er zijn eenvoudige experimenten te bedenken waarmee de invloed van rookdeeltjes op condensatie is zichtbaar te maken (zie bijvoorbeeld: ‘Clouds in a glass of beer’ van Craig Bohren) maar zo midden in de natuur, dat is toch het mooist.

Later kwam de bevestiging van nog een ander vermoeden, het pijnlijke vermoeden dat de vogelzang die vele jaren aan de merel is toegeschreven in werkelijkheid de zang van de grote lijster was. Altijd is aangenomen dat de merel in de Ardennen van zichzelf wat minder hysterisch fluit dan de stadsmerel in Nederland. Maar toen laatst op advies van derden vogelzang werd beluisterd op de site www.virtual-bird.com (onder ‘ songs’), toen leek de zang van Turdus viscivorus vervelend veel op wat daar in de Ardennen altijd voor bosmerelzang was gehouden. (Zoek de site op. Hoor hoe eenzaam-mooi de grote lijster zingt en hoe de vink op de achtergrond dat niet aanvoelt).

De lijsterkwestie is van belang omdat al jaren wordt bijgehouden welke vogel het is die na zonsondergang het langst blijft doorzingen. Overdag hoor je tientallen verschillende soorten maar aan het eind van de dag zijn het altijd de merel, de zanglijster en de roodborst die niet van ophouden weten. En dus misschien de grote lijster. Dit jaar eindigde de zang op 14 mei om 21.58 uur. Weer was het de roodborst die het laatste woord had.

Toen was het stil. Er murmelde een beek, er schuurde een tak, er blafte een ree. Ja zelfs riep een bosuil. Langzaam verschoof de aandacht naar het gebrom van de vliegtuigen die boven de Ardennen in groter aantal voorkomen dan verderop in de wereld. Het geluid van vliegtuigen is nooit constant maar fluctueert. Het fluctueert in sterkte en misschien wel in toonhoogte. Het schort in AW-kring aan voldoende muzikaal gevoel om over dat laatste zekerheid te krijgen.

De fluctuatie is niet de uitdrukking van onregelmatig lopende motoren. Iedereen die wel eens gevlogen heeft weet dat het motorgeluid in de cabine volmaakt constant klinkt. Natuurlijk kan het het gevolg zijn van interferentie tussen de vliegtuigmotoren die immers praktisch hetzelfde toerental hebben. De groep Delftse vliegtuigbouwers die daarover uitsluitsel had kunnen geven was gisteren niet aanspreekbaar. Maar er is reden om aan te nemen dat het geen interferentie is: ook van eenmotorige vliegtuigen varieert het geluid en de eventuele interferentie tussen de motoren van een meermotorig vliegtuig zou een heel regelmatige variatie in geluidssterkte opleveren.

Vliegtuiggeluid varieert juist altijd heel onregelmatig. Er kan geen andere verklaring voor zijn dan: inhomogeniteit van de luchtmassa tussen de waarnemer en het vliegtuig (met misschien een kleine rol voor weerkaatsing van geluid tegen allerlei voorwerpen in de omgeving.) De temperatuuropbouw van de atmosfeer kan zo vreemd zijn dat men feitelijk bloot staat aan een onweersbui waarvan de donder volkomen onhoorbaar is.

Waar het om gaat is dat de sterktewisselingen bij propellervliegtuigen altijd langzamer zijn dan die van straalvliegtuigen. Bij popellervliegtuigen zijn ze vaak zelfs tegen het weemoedige aan. Waar zit hem dat in? Daar is nog geen zekerheid over maar in die natte tent bleven na veel gepeins uiteindelijke twee veronderstellingen over.

Het ligt voor de hand dat de inhomogeniteit in de atmosfeer ten dele door het vliegtuig zelf wordt opgewekt en allicht dat het snellere straalvliegtuig er meer produceert. Denk aan het kielzog achter een motorboot. Maar het is niet goed voorstelbaar hoe de opgewekte wervelingen in de lijn tussen vliegtuig en waarnemer kunnen raken.

Dan blijft over de theorie dat het de al bestaande inhomogeniteiten (turbulentie e.d.) zijn die het effect opwekken. Het straalvliegtuig vliegt sneller en vaak ook hoger dan het propellervliegtuig en passeert er per tijdseenheid dus meer. Als het vooral dat laatste is dan zou er een sterk dag-nacht-effect moeten zijn op de waargenomen sterktewisselingen in vliegtuiggeluid. Misschien is die invloed er?