Soldaten plukken aan mijn scherfvest

Schrijver Arnon Grunberg bericht vanuit Irak, waar hij enige tijd verblijft. Deel twaalf van een serie.

Het eerste ‘platoon’ vervolgt zijn nachtelijke patrouille. Luitenant Kaness zegt: ‘We hebben geluk. Sinds een paar maanden is het hier rustig, maar er broeit wat onder de oppervlakte.’

Ik kijk omhoog. De maan is prachtig.

We naderen een huis. Op de veranda zitten mannen op een tapijt. De sjeik en zijn vrienden genieten van de avondlucht.

Sommige sjeiks vertegenwoordigen duizend of meer mensen, andere sjeiks vertegenwoordigen slechts tientallen mensen. Wij vertegenwoordigen heel Amerika.

Kort geleden had een Amerikaanse militair in Irak op de koran geschoten. ‘Hij brengt zijn kameraden in gevaar,’ zeiden de militairen op de basis waar ik slaap.

De sjeik en zijn vrienden nodigen ons uit om erbij te komen zitten. Er ligt een drinkbak voor honden op het tapijt. De bak blijkt niet voor honden maar voor mensen te zijn.

De luitenant, een sergeant en ik doen onze helmen af. De rest van het platoon blijft ons beschermen.

‘Wie is dat?’ wil de sjeik weten. Hij wijst op mij. Misschien denkt de sjeik dat ik van de Mossad ben.

Ik stel mij voor.

‘Gaat u stemmen?’ vraag ik aan de sjeik. ‘Geeft u uw mensen opdracht te stemmen?’

In oktober zijn er provinciale verkiezingen in Irak. Van stemmen lijkt de sjeik nog nooit gehoord te hebben. Uit zijn gezichtsuitdrukking maak ik op dat wat vlooien voor de hond zijn democratie voor de mensen is.

‘Het probleem,’ zegt de soennitische sjeik, ‘is Iran. Overal zorgt Iran voor rotzooi. In Libanon, in Syrië, in Irak. We hebben een regering nodig die we kunnen vertrouwen.’

Misschien betekent Iran niet alleen Iran maar ook de sjiieten in Irak.

De thee wordt geserveerd. De sjeik en zijn vrienden willen met mij op de foto. Ik leer dat je je hand op je hart legt om aan te geven dat je begroeting of dankbetuiging gemeend is. Voortdurend leg ik mijn hand op mijn hart.

Ik ben dankbaar voor alles.

Gezien de omstandigheden is het afscheid hartelijk.

‘Vertrouw je de sjeik?’ vraag ik luitenant Kaness.

‘De meeste sjeiks,’ zegt hij, ‘zijn tweeslachtig. Ze onderhouden contacten met ons en met de andere kant.’

We eindigen de patrouille in een kamp van het Iraakse leger.

In de ‘trailer’ van luitenant Ahmed, een soort container, mogen we op zijn bed zitten.

Later plukken zijn soldaten aan mijn scherfvest en mijn helm.

Ze zijn jaloers. Hun scherfvest is klote. Ze praten Arabisch tegen me.

Ik leg mijn hand op mijn hart.