´Pers is gevaar voor zichzelf´

De Amerikaanse journalist Michael Massing is criticaster van zijn eigen beroepsgroep. Hij bespeurt een hernieuwd bewustzijn bij de journalist. „Naarmate de president impopulairder wordt, wordt de pers assertiever.”

Een van de gevaren voor de journalistiek is de journalist zelf, betoogde de Amerikaanse schrijver/journalist Michael Massing drie jaar geleden in het tijdschrift New York Review of Books. Natuurlijk kende hij de klachten van verslaggevers over steeds assertiever operende overheidsvoorlichters, private equity-ondernemingen die geld uit mediaorganisaties zuigen, en de toenemende concurrentie van weblogs. Allemaal waar, vond Massing, maar hij vond ook dat journalisten – The enemy within noemde hij ze – wel eens wat kritischer naar hun eigen gedrag mochten kijken.

Massing hekelde het in zijn ogen betrekkelijk kritiekloos volgen van de regering-Bush, en het onvermogen om in de oorlogsverslaggeving de Iraakse en Afghaanse kant van de werkelijkheid te beschrijven. Ook maakte hij zich zorgen over de verschuiving in de economische verslaggeving van bedrijfsreportages en vakbondsverslaggeving naar een concentratie van aandacht op de wereld van het grote geld. Belangrijke delen van de sociale werkelijkheid dreigden zo uit de krantenkolommen te verdwijnen.

Drie jaar later is de analyse van Massing, oprichter van een journalistieke belangenorganisatie in de VS en medewerker van het vooraanstaande vakblad Columbia Journalism Review, nog steeds actueel, ook voor Nederland. Onlangs nog publiceerde het The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) een kritische evaluatie van de manier waarop Nederlandse kranten verslag doen van de oorlog in Afghanistan. Bovendien lijkt er in Nederland, mede door de kredietcrisis, eenzelfde verschuiving gaande van sociaal-economische naar financiële journalistiek.

Hoe beoordeelt Massing de Amerikaanse pers nu, en ziet hij overeenkomsten met de Nederlandse?

Het gesprek daarover begint in de deftige University Club van Columbia University en, nadat Massing en interviewer bij gebrek aan een geldige clubcard zijn verwijderd, eindigt in een rumoerige koffietent op 10th Avenue in New York. Massing blijkt aanzienlijk milder gestemd dan in 2005. „Er zijn duidelijke tekenen van hernieuwd bewustzijn van de pers. Met name het laatste jaar zijn er meer kritische reportages verschenen over de oorlog in Irak en Afghanistan. Een prachtig voorbeeld daarvan was een uitgebreide reconstructie in de New York Times van de pr-strategie door het Pentagon. Daaruit bleek hoe een klein legertje oud-generaals, soms met banden met de wapenindustrie, door het Pentagon werd ingezet als opinievormers in talkshows en nieuwsrubrieken. Nieuwsorganisaties zijn wakker geworden over het verloop van de oorlog en de manier waarop die hier aan de man wordt gebracht, en houden meer afstand tot de macht. Een teken aan de wand was dat dezelfde New York Times onlangs voor het eerst sinds jaren weigerde om naar het jaarlijks galadiner voor White House correspondents (politieke verslaggevers, red.) te gaan. Ik zag het als een manifestatie van de pendulebeweging die je wel vaker in de Amerikaanse persgeschiedenis ziet: naarmate de president impopulairder wordt, wordt de pers assertiever.”

Is dat niet laf?

„Oh zeker, want juist een sterke president heeft flink tegenspel nodig. Veel journalisten hebben nu ook spijt, en proberen de laffe houding van toen te compenseren met een assertieve houding nu.”'

Leidt dat tot betere journalistiek?

„Niet altijd, het doet soms overdreven aan. Bovendien gebeuren er nog steeds rare dingen. William Kristol, invloedrijk journalist van de Weekly Standard en een van de grootste kruisvaarders tegen Irak, kreeg een column bij de New York Times. Hij is niet de enige die zo in feite wordt beloond voor schadelijke invloed. Michael Gerson die speechschrijver was voor Bush en de oorlog hielp verdedigen, kreeg een column in de Washington Post.”

Waarschijnlijk willen deze kranten een breed spectrum aan meningen naar hun opiniepagina's halen.

„Zo wordt het verdedigd ja, maar dan kun je toch ook mensen uit dezelfde denkrichting rekruteren die geen politieke verantwoordelijkheid of invloed zoals Kristol en Gerson hebben gehad? Accountability, verantwoording afleggen vind ik een van de dragende beginselen van journalistiek.”

U bekritiseerde regelmatig in uw stukken de oorlogsverslaggeving van veel Amerikaanse kranten die te vaak kritiekloos achter de militairen zou aanlopen, en te weinig het Iraakse of Afghaanse perspectief zou belichten. Recentelijk was u zelf twee weken in Irak. Heeft dat uw mening veranderd?

„Voor 50 procent wel, voor de andere 50 procent niet. Ik geloofde altijd dat verslaggevers die verbleven in militaire kampen en mee mochten op patrouille (‘embedded journalism’) vroeger of later allemaal het slachtoffer werden van het Stockholmsyndroom, waarbij ze te veel begrip voor hun beschermheren zouden krijgen. Wat ik niet goed had ingeschat is dat militairen zelf heel open kunnen zijn. Tot mijn stomme verbazing mocht ik mijn kladblok vrijwel helemaal vol schrijven met klachten van militairen over hoe slecht het met de oorlog ging, wat voor stress er voor het thuisfront was, hoe vaak ze op pad moesten, hoeveel militair middenkader (met de rang van kapitein bijvoorbeeld) het leger momenteel ontvlucht waardoor de leiding ter plekke verzwakt. Ik denk dat deze openheid veroorzaakt wordt doordat mensen domweg moe zijn, en hartstikke gefrustreerd.”

En de andere 50 procent?

„Ik handhaaf mijn mening dat veel verslaggevers er niet in slagen de politieke en sociale werkelijkheid van Irakezen en Afghanen in beeld te krijgen. Wel ben ik onder de indruk geraakt van de hindernissen die daarbij genomen moeten worden. Samen met enkele collega’s ben ik, begeleid door drie bewapende jeeps en acht bodyguards – journalisten zijn nu eenmaal een geliefde prooi voor ontvoerders in Irak – in Zuid-Bagdad geweest. Tot voor kort werd daar zwaar gevochten. Nu is het er rustig, maar het is de rust van een gevangenis waar net een opstand is geweest die hard is neergeslagen. Er heerste een doodse sfeer. Overal waren er checkpoints. Voor zover er mensen op straat liepen, keken die weg of keken angstig. Alleen enkele kinderen komen je onbevangen tegemoet. Met de rest viel geen interactie te bereiken.”

Onbegonnen werk dus voor goede verslaggeving?

„Moeilijk werk, maar nieuwsorganisaties in landen die elders oorlog voeren hebben een belangrijke verantwoordelijkheid de feiten na te gaan en verslaggevers daarop goed voor te bereiden. Dat is een van de redenen waarom ik met anderen het Committee to Protect Journalists heb opgericht. Het kritisch volgen van de macht, waarop de journalistiek zich graag laat voorstaan, is misschien wel het belangrijkst waar die macht bestaat uit het beschikken over mensenlevens. Met vallen en opstaan zie je dat ook hier gebeuren. Diverse Amerikaanse kranten hebben inmiddels correspondenten en tijdelijke verslaggevers in Irak en Afghanistan. Ze beschikken – gezien hun stukken in de krant – overduidelijk over nummers van belangrijke maatschappelijke personen. Het gaat hier vaak om ervarener verslaggevers met de broodnodige talenkennis. Daardoor slagen ze erin het militaire, Amerikaanse perspectief aan te vullen, te verrijken met een Afghaans of Irakees sociaal perspectief. Daarnaast zie je vanuit internet steeds meer aanvullingen en correcties plaatsvinden.”

Zoals?

„Ik ben onder de indruk van het moedige werk dat Iraakse verslaggevers via blogs ondernemen. Ze weerspiegelen een belangrijke verandering die zich in de blogosfeer heeft voltrokken. Weblogs zijn allang geen gemakkelijke meninkjes meer. Ze zijn steeds meer dragers en verspreiders van feiten. Ik denk domweg dat kranten niet meer om zulke weblogs heen kunnen, zeker niet zolang die kranten zelf moeilijkheden hebben bij hun verslaggeving in zulke ontoegankelijke landen als Irak. De vooraanstaande krantenketen van McClatsky hier in de VS heeft die conclusie al getrokken en publiceert al enige tijd zo’n Iraaks blog.”

Onlangs verscheen een kritische, Engelstalige evaluatie in Nederland over ‘embedded’ verslaggeving door Nederlandse journalisten in Afghanistan. Ziet u overeenkomsten met de Amerikaanse situatie?

„Het is heel goed dat er zo’n evaluatie verschijnt. Dat moet in de VS nog gebeuren. Ten tweede valt me op dat we zowel in Amerika als in Nederland door hetzelfde probleem worden gehinderd, namelijk dat het militaire perspectief vaak domineert in de verslaggeving, een van de belangrijkste conclusies van het rapport.

Verder viel me op dat in uw land journalisten hun stukken eerst aan Defensie moeten voorleggen voordat ze in de krant komen. Dat zou bij ons nooit kunnen. Amerikaanse kranten weigeren dit uit principe. Wel tekenen ze, ook ik, een uitgebreide verklaring waarin ze het Pentagon beloven dat ze geen gevoelig materiaal publiceren dat de veiligheid van de operatie in gevaar kan brengen. Daarop zijn ze achteraf aanspreekbaar.”

Wat heeft uw voorkeur?

„De Amerikaanse aanpak, want de verplichting om stukken voor te leggen aan het ministerie van Defensie leidt automatisch tot meer zelfcensuur.”

Maar zelfcensuur kan toch ook heel gemakkelijk in het Amerikaanse geval?

„Zou kunnen, maar het lijkt me vanzelfsprekend dat als je steeds opnieuw de gang naar zo’n defensievoorlichter moet maken, er minder van je eigen werk over blijft, dan wanneer je één keer zo’n verklaring moet ondertekenen zoals bij ons. Vergeet niet, Defensie heeft de journalistiek nodig, omdat ze publieke steun voor de oorlog zoeken. Dat brengt kranten in een positie om goede afspraken af te dwingen.”

Behalve op de oorlogsverslaggeving had u kritiek op de financieel-economische verslaggeving in kranten. Er zou te veel fascinatie zijn met de wereld van het grote geld, terwijl vakbondsverslaggevers steeds minder ruimte krijgen en zelfs ontslag nemen. Maar is dit niet een natuurlijk gevolg van nieuwe onderwerpen die boven zijn komen drijven? De kredietcrisis vraagt nu eenmaal om aandacht.

„Financiële onderwerpen scoren ook beter omdat daar, meer dan ooit, de adverteerders zitten voor kranten. Bovendien zijn veel lezers van vandaag de financiële beslissers van morgen. Mensen van een stukje verderop, in Harlem, gaan echt niet de New York Times lezen. Verder vinden veel journalisten het nu eenmaal leuker en opwindender om te schrijven over topmannen dan over hardwerkende alleenstaande moeders met een klein baantje.

Een en ander heeft tot gevolg dat de arbeidersklasse, die je vroeger nog wel eens in bedrijfsreportages en bij vakbondsnieuws op de economiepagina’s zag opduiken, langzaamaan verdwijnt uit de krantenkolommen. Dat, op zijn beurt, leidt weer tot rare effecten in de politieke verslaggeving.

Dat zag je na de voorverkiezingen bij de Democraten in Pennsylvania. Die won Hillary Clinton met behulp van veel gewone werknemers. ‘Tjeempie, ze zijn er nog, arbeiders’, hoorde ik een verslaggever zeggen.”