Onvermijdelijk

Voetbal is een fenomeen dat de grenzen van de sport overstijgt. Dat fascinerende balspel tussen twee elftallen houdt al meer dan een eeuw een belangrijk deel van de samenleving bezig. Zonder voetbal geen leven.

Guus van Holland

Was het voetbal vroeger anders? Ja. Was het voetbal aantrekkelijker? Misschien. Was het voetbal beter? Misschien. Sneller? Nee. Eenvoudiger? Ja. Spannender? Misschien wel, misschien niet. Het zijn vragen, zonder een bevredigend antwoord. Dat hoort bij voetbal. Dat is de kracht van voetbal, dat rare spel tussen twee teams van elf spelers dat nu al iets meer dan honderd jaar een groot deel van de samenleving in de ban houdt.

Voetbal is onvermijdelijk. Discussies over voetbal zijn niet meer weg te denken. Zelfs intellectuelen buigen zich steeds meer over het fenomeen dat zoveel mensen raakt, en daardoor zoveel media aanzet tot aandacht – telkens meer aandacht. Zonder voetbal geen leven, geen kijkcijfers en geen abonnees.

Vanzelfsprekend houdt dus ook de wetenschap zich met voetbal bezig. Van sociologische onderzoeken tot computeranalyses over spelstrategieën. Wie voetbal niet wil leren kennen, is niet meer van deze wereld. Duitsland kent bijvoorbeeld de Akademie für Fussballkultur. Het is maar een website, maar een kijkje daarop leert wat voetbal teweegbrengt.

Socioloog dr. Guido Kellerman publiceerde daarop bijvoorbeeld een studie over de afkomst van topvoetballers. Heel vroeger was het de adel die (in Engeland) voetbal speelde, toen de arbeidersklasse en nu een mengeling van milieus. Voetballers komen overal vandaan. Voetbal is niet een kwestie van intellect of intelligentie, voetbal kan door iedereen worden gespeeld die ertoe wordt aangetrokken. En wie worden dan wel aangetrokken tot voetbal? Tja. „Voetbal is kennelijk het spannendste, meest fysieke, meest lucratieve, meest aantrekkelijke spel dat in deze eeuwen wordt beoefend’’, verklaart Kellerman desgevraagd. „Wie wil excelleren, aandacht wil trekken van een miljoenenpubliek en geld wil verdienen, gaat voetballen. Vaders willen dat hun zonen voetballen. En als de zonen niet willen voetballen, gaan ze toch voetballen. Vraag mensen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika en ze noemen voetbal. Noord-Amerika is anders, maar dat komt omdat de media het niet willen.’’

Het kan verkeren, zegt de geschiedenis van het voetbal. Eerst was Engeland de voetbalnatie. Overal ter wereld waar Engelsen kwamen, leerden de Britse imperialisten de lokale bevolking voetbal te spelen. Maar toen zomaar ineens waren het Oost- en Midden-Europeanen die de uitvinders van het voetbal naar de kroon staken. Oostenrijkers bijvoorbeeld. Waarom nu juist Oostenrijkers? Juist omdat in dat land, in Wenen precies gezegd, ook intellectuelen (zoals schrijvers, dichters, filosofen en psychologen) zich openstelden voor dat merkwaardige fenomeen voetbal. Juist, ze ontdekten dat voetbal een artistiek spel kon zijn, een vorm van kunst. Een man met een bal aan zijn voet die naar creatieve oplossingen zocht om de vijandelijke verdediging te omzeilen. Kunst, creativiteit, intelligentie? Kellerman: „Ja, intellectuelen stellen zich echt open voor bewegingen en stromingen in de samenleving. Zij sluiten zich niet op, zij sluiten zich niet af van nieuwe zaken, hoe triviaal ook. Dat was het kenmerk van het Wenen van die tijd, Joods ook, in de jaren twintig. Wenen was niet voor niks het epicentrum van intellectualisme. Waar zetelden de beste schrijvers, creatieve geesten en filosofen, waar kwamen Freud en zijn zielsverwanten vandaan? Wenen. Voetbal heeft meer achtergrond dan veel mensen willen geloven. In zowel pedagogische zin, zoals in Engeland, als intellectuele zin, zoals destijds in Oostenrijk.’’

Tijden veranderen. Oostenrijk telt op dit moment niet meer mee als voetballand. Ergens zijn de Oostenrijkers gestruikeld, mogelijk na de Anschluss met Duitsland (1938). Sterker nog: dit jaar gingen in Oostenrijk serieuze stemmen om de nationale ploeg terug te trekken van het Europees kampioenschap in eigen land. Een schande zou de Oostenrijkers ten overstaan van de hele voetbalwereld bespaard blijven. Beter geen elftal dan een elftal dat deelneemt en de lachers op zijn hand krijgt.

Op de FIFA-ranking staat Oostenrijk op plaats 101, nog achter onder meer Albanië, Qatar, Guatemala, Zimbabwe, Thailand, Syrië en Gabon, en net voor Tanzania, Benin, Jordanië en Kaap Verdië. Hoe anders was het 75 jaar geleden? Toen dicteerde het Oostenrijkse voetbal de wereld, met artistiek spel en sensuele combinaties die tot in het oneindige werden doorgevoerd. Het voetbal dat destijds door het Wunderteam werd gespeeld, wordt vaak in één adem genoemd met het spel dat de Hongaren rond 1950 en de Brazilianen in 1970 toonden.

De creatieve geest was Hugo Meisl, coach en inspirator. Hij leidde het Oostenrijkse elftal naar overwinningen met dubbele cijfers op Duitsland, Hongarije, Spanje, Frankrijk en Schotland. Meisl was de man van het artistieke voetbal. „Er mag bij den tegenstander daar van binnen nog zoveel groeien, er mag zich daar ontwikkelen wat men wil... briljante techniek daar gaat het om’’, zo citeert de grondlegger van de Nederlandse sportjournalistiek Joris van den Bergh de Oostenrijker in Mysterieuze krachten in de sport.

Vooral een briljante techniek, daar ging het Meisl om. Daarom was voetbal in de jaren twintig voor intellectuelen en denkers in de Weense koffiehuizen als Café Ring. Voetbalwedstrijden in Wenen trokken in die tijd meer dan 40.000 toeschouwers. Op gezag van de intellectuele Weense kring moest Hugo Meisl, een polyglot (acht talen) die behalve econoom ook voetbalscheidsrechter en voetbalbestuurder was, de Weense aanvaller Matthias Sindelar opstellen. Meisl, de kunstzinnige voetbalman, gehoorzaamde pas nadat hij en de Schotse trainer Jimmy Hogan Sindelar bij Austria Wien hadden zien schitteren.

Zoals Meisl nog altijd geldt als de beste Oostenrijkse coach, zo geldt Sindelar nog altijd als de beste Oostenrijkse voetballer.

Friedrich Torberg, een van schrijvers en journalisten die in Café Ring altijd zijn stem over voetbal verhief, schreef over Sindelar, der Papierene (de papieren man, vanwege zijn slanke, lenige gestalte): „Hij was begiftigd met zo’n ongelooflijk arsenaal aan ideeën en bewegingen, dat je nooit van tevoren wist hoe hij zou gaan spelen. Hij speelde geen systeem, hij kende geen patroon. Hij was gewoon geniaal.’’

Op titeltoernooien wisten Meisl en Sindelar nooit te triomferen. Alleen de Dr. Gerö Cup, het kampioenschap van Midden-Europa, werd gewonnen. Op het WK van 1934 begon Oostenrijk als favoriet, maar moest het de eer laten aan het door Mussolini geïnspireerde Italië. Sindelar, die van Joodse afkomst was en weigerde na de Anschluss voor Duitsland en bondscoach Sepp Herberger te spelen, zou in 1939 samen met zijn Italiaanse vrouw Camilla Castagnola zelfmoord hebben gepleegd. Vijftienduizend treurende Weners woonden zijn begrafenis bij op het Wiener Zentralfriedhof.

En toen kwamen de Hongaren, met Nandor Hidegkuti en hun 4-2-4 systeem. Waarom juist Hongaren? Had het iets met Oostenrijk te maken? De Duitse voetbalsocioloog Heinz Meyer uit Neurenberg gelooft van wel. „Schwung, artistieke begaafdheid, weinig overtredingen, gevoel voor combinatie en ruimtelijk inzicht. Dat zijn toch kenmerken die in dat volk de boventoon voeren. Hongaren waren wat nu Brazilianen zijn. Alleen hebben Hongaren hun spelvreugde verloren, omdat het communistisch systeem een andere discipline vereiste. Kijk nu naar Hongaren en Oostenrijkers en je ziet waaraan ze hun spelvreugde ontlenen. Maar voetbal is meer geworden dan spelen met een bal.’’

Duitsers zetten nu de toon, met hun onverzettelijkheid. Of Italianen met hun ver doorgevoerde trainingsmethoden, van doping tot sportpsychologie. Voetbal is meer dan een spel geworden. Fysieke trainingen leiden er toe dat topspelers kilometers per wedstrijd afleggen. Zo is gemeten dat Wayne Rooney van Manchester United bij een sprint over 60 meter 31,3 kilometer per uur liep. Zijn teamgenoot Cristiano Ronaldo, de beste voetballer van Europa, liep in dezelfde wedstrijd 33,6 kilometer per uur. Hij liep gemiddeld 14 kilometer per uur. Zou de Oostenrijker Matthias Sindelar dat in 1930 hebben gedaan, of Johan Cruijff in 1974? Nee toch. Meyer: „Topvoetballers zijn superatleten geworden. Tegen een bal trappen, of een man passeren is niet genoeg meer. Topvoetballers moeten kunnen handelen in een split second, wie denkt is al te laat. Wie door kan denken is geniaal.’’

De tijd van de langzame strategen is voorbij. Het gaat niet meer om techniek en inzicht. Kellerman: „Ik heb nooit Sindelaar voor Oostenrijk zien spelen. Maar ik heb wel Pelé, Beckenbauer en Cruijff gezien. Geniale spelers, maar eigenlijk was er maar één die nu nog kon excelleren, dat is Maradona. Die was zijn tijd ver vooruit. Het is mijn persoonlijke voorkeur, maar als onderzoeker van menselijk gedrag geloof ik alleen in types als Maradona. Ze zijn er niet meer, hoe het spel zich ook heeft ontwikkeld.’’

Voetbalintelligentie is een apart fenomeen. De ene persoon kan goed voetballen, maar is te veel verstandelijk bezig (systematisch), de ander voetbalt op zijn gevoel (individueel). Trainers dienen zich daarom in dienst te stellen van kennis van anderen. Foppe de Haan, trainer van Jong Oranje, verzucht daarom weleens: „Ik wou dat ik het allemaal wist. Ik stel me open voor alle nieuwe ontwikkelingen, voor psychologie en fysiologie. Ik word elke keer verrast door het fenomeen voetbal. Het kan niet alleen beter, het wordt steeds beter. Ik kan me niet indenken dat Abe Lenstra nu nog zou excelleren. Of Johan Cruijff, maar dat mag ik eigenlijk niet zeggen. Maar ik weet dat voetbal een steeds moeilijker spel wordt, dat slechts door enkele talenten met veel trainen en dankzij wetenschappelijk bijstand met succes beoefend kan worden.’’