Ontplofte ster na eeuwen met lichtecho’s geïdentificeerd

De echo’s van explosies in het heelal zijn ook na eeuwen nog te ‘horen’. Dat blijkt uit waarnemingen aan het licht van een ster die rond het jaar 1680 aan haar einde kwam (Science, 30 mei). De ster blies zichzelf toen op, maar dat is waarschijnlijk door niemand waargenomen. Pas in 1950 werd in het sterrenbeeld Cassiopeia een snel uitdijende gasring waargenomen die met zo’n explosie in verband kon worden gebracht. Sindsdien hebben astronomen geprobeerd uit de eigenschappen van deze gasring, Cas A geheten, de identiteit van de verdwenen ster te achterhalen, maar zonder veel succes.

Pas vier jaar geleden ontdekte de Duitse astronoom Oliver Krause de eerste lichtecho’s rond Cas A. Deze echo’s werden afgelopen jaar bestudeerd met een Duitse telescoop op de Calar Alto-sterrenwacht in Spanje en met een Japanse telescoop op de Mauna Kea-sterrenwacht op Hawaï. Daarbij kon ook het spectrum van de echo’s worden vastgelegd en dus ook het spectrum van de geëxplodeerde ster zélf – circa 328 jaar na zijn verdwijning – worden bestudeerd. Zo konden Krause en zijn collega’s nu met zekerheid vaststellen dat de verdwenen ster een heliumster was geweest: de kern van een rode superreus die vrijwel al zijn waterstof was kwijtgeraakt.

In de afgelopen jaren zijn ook van enkele andere geëxplodeerde sterren echo’s waargenomen, maar het is nu voor het eerst dat zo’n echo ook spectrale informatie oplevert. In een begeleidend commentaar in Science merkt de Britse astronoom Andrew Fabian op dat zich in de interstellaire ruimte een wirwar van lichtecho’s van voorbije gebeurtenissen moet bevinden. En aangezien het licht zich door het interstellaire stof blijft voortplanten, kunnen ook verdwenen sterren nog eeuwenlang worden waargenomen en bestudeerd. George Beekman