Memorial Day

‘Hi, blokhoofd!’ Meehelpen in de militaire parade.

De beroemde bevrijdingsfoto van Life-fotograaf Alfred Eisenstaedt Eisenstaedt, Alfred

Tussen het Capitool en het Washington Monument slalom ik langs een Lincoln-lookalike en een indiaan met verentooi richting een rij mobiele toiletten. Binnen wurm ik me in een T-shirt dat zojuist is uitgereikt. Op de achterzijde staat een Amerikaanse vlag en ‘STAFF’. Dan terug naar het witte tentje onder de bomen op Madison Drive, langs paarden die nog even mogen grazen, zich inblazende fanfares, trommelaars, Vietnamese vrouwen in klederdracht, oude veteranen in oude legerkleding – in hun flitsende cabrioletjes toeteren ze uitgelaten. Jonge, ernstige militairen dragen camouflagepakken in woestijnkleuren. Op een praalwagen zijn in glitter de letters ’USA’ geplant.

„Hi blokhoofd!”, begroeten ze me bij het tentje. Ik had me aangemeld als vrijwilliger voor de Nationale Memorial Day Parade en dan benoemen ze je meteen tot blokhoofd, hoe nederig ook je taak.

Het STAFF-shirt heeft nadelen. Toeschouwers bespringen me prompt met ingewikkelde vragen:

„Lopen de veteranen van de 101ste Airborne divisie voor- of achterin?”

„Hoe laat kunnen we de Trots van Richton Muziekkapel verwachten?”

„Is die man die altijd bij Vietnam meeliep nou doodgegaan dit jaar of niet? Die ene? Die altijd meeliep?”

Ik krijg nu een hoge kartonnen doos met een paar honderd Amerikaanse vlaggetjes aan een gouden stokje, een manshoog bord dat ik straks zal moeten ophouden en een plattegrond: daar moet je staan. Met de doos en het bord onder een arm geklemd, het woord ‘STAFF’ laf gecamoufleerd door mijn rugzakje, waggel ik door de drukte richting Constitution Avenue, waar ik me op het blok tussen de 10de en de 12de straat dien op te stellen.

Het is de laatste maandag van mei: ‘Memorial Day’, ooit begonnen als gedenkdag voor de slachtoffers van de Amerikaanse Burgeroorlog, nu bedoeld om alle Amerikaanse militairen te eren die in alle mogelijke oorlogen hebben gevochten. Voor de meeste Amerikanen is Memorial Day in de eerste plaats het officieuze begin van de zomer, een lang weekend om weer eens naar de oceaan te rijden of eindeloos te barbecuen. Het is de dag dat de buitenzwembaden open gaan en je weer witte sandalen mag gaan dragen – beweer nooit dat Amerikanen niet van etiquette houden.

Veel Washingtonians gaan op Memorial Day de stad uit, maar de patriotten uit de rest van het land stromen binnen sinds de Nationale Parade, die op sterven na dood was, in 2005 weer in ere is hersteld. Ik wilde eens echte patriotten ontmoeten, want die kom je hier op gewone dagen minder tegen dan je zou denken. Washingtonians, meestal linkse Bush-haters, zeggen juist – en graag met een beetje gevoel voor drama – dat ze zich „de laatste tijd scha-há-men” Amerikaan te zijn.

Ik begin vlaggetjes uit te delen op de hoek van de 12e straat en de mensen stromen toe – ze worden soms net niet uit mijn handen gerukt. Om twee uur opent de parade, hoe kan het anders, met reclame. U-Haul, voor al uw verhuizingen. Daarna rijden, marcheren, wandelen of sloffen alle mogelijke veteranen (‘Beirut veterans of America’ ) langs van alle mogelijke geloofsrichtingen (‘Muslim American Veterans Association’), uit alle mogelijke oorlogsgebieden (‘Kuwait remembers Gulf War’).

Om drie uur komt de stoet even tot stilstand. Tijd om het bord te pakken en een beetje plechtig midden op Constitution Avenue voor het publiek te gaan staan met de tekst: ‘Stilte alstublieft voor een moment van gedachtenis’. Rond me kwettert de zoveelste stokoude eenheid uit de Tweede Wereldoorlog luid en opgetogen door, ze hebben duidelijk een hoop bij te praten. Het publiek luistert zwijgend mee.

Trompetspelers langs de route blazen een saluut. Dan komt de parade weer in beweging, deel ik de laatste vlaggetjes uit, komen er nóg een uur lang eindeloze reeksen militairen en schoolfanfares langs en dan is het plotseling toch afgelopen. Ik zak neer op het trottoir en denk: waarom krijg ik het nou al drie jaar te kwaad bij dit vertoon?

Misschien is het te begrijpen met behulp van Edith Shain. Wuivend op de rand van een oude open Jeep reed ze langs op Constitution Avenue: een bejaarde verpleegster in een antiek wit uniform, de billen nog pront naar achteren.

„Edith!”, riepen mensen. „Edith Shain!”

Zij was het echt: de verpleegster van de beroemde bevrijdingsfoto van Life-fotograaf Alfred Eisenstaedt, waarop een matroos haar in zijn armen houdt en kust.

Op de stoep, vlak voor me, zat een man van de leeftijd-Vietnam. Hij wilde geen vlaggetje, o nee geen sprake van. Hij wilde militairen zien en dan met een bozige kennersblik aan zijn vrouw uitleggen wie dat waren. Hij duwde steeds nurks tegen mijn vlaggetjesdoos, dat stomme ding, en zei iets onaardigs over mijn accent.

Toen kwam dus Edith Shain langs. De man ging staan, sjorde zijn vrouw van de stoep en duwde haar enigszins achterover. In één beweging, had ik willen schrijven, helaas mislukte dat een beetje. Maar zo’n kus. Die wou hij.