Les in dien eige taal

Dialect mag niet verloren gaan, vinden sommigen. Het onderwijs moet helpen.

Brigit Kooijman

Toen Jos Swanenberg ging studeren, verhuisde hij van Brabant naar Utrecht. “In de eerste week zei ik tegen iemand: ‘Ik ben vanmorgen aangereden’. ‘O wat erg!’ was de reactie. ‘Aanrijden’ betekent in het Brabants ‘wegrijden’, maar ik had totaal niet door dat dat geen Standaardnederlands is.”

Dom, vinden veel mensen. Dat is althans een vooroordeel waar dialectsprekers regelmatig tegenaan lopen. Het bestrijden van zulke vooroordelen is één van de onderwerpen op de derde internationale streektaalconferentie, op 6 juni in het klooster van Rilland, Zeeland.

Swanenberg is een van de organisatoren. Hij is de Brabantse ‘streektaalfunctionaris’: in dienst van de provincie Noord-Brabant zet hij zich in voor het behoud van de Brabantse dialecten. Behalve het Brabants kent Nederland nog vier officieel en niet-officieel erkende streektalen (verzameling verwante dialecten): het Fries, het Nedersaksisch, het Limburgs en het Zeeuws.

taaltoets

Het thema van de conferentie is dit keer: de rol van dialect in het onderwijs. Voor kinderen die thuis dialect spreken, is Nederlands in feite een tweede taal. Maar eventuele taalachterstanden zijn niet de reden voor het thema. “In Limburg”, zegt Ton Vallen, hoogleraar Meertaligheid en Onderwijs aan de Universiteit van Tilburg, en een van de sprekers tijdens de conferentie, “scoren kinderen bij de Citotoets het hoogst van heel Nederland.” Maar staatssecretaris Dijksma lanceerde vorig jaar toch het plan voor een verplichte peutertaaltoets in, behalve de vier grote steden, ook Oost-Groningen en Zuid-Limburg? Ja, zegt Vallen: “In het zuiden van Limburg, in de oude Mijnstreek, liggen de scores flink onder het landelijk gemiddelde, maar elders in de provincie zijn ze juist hoger. Dat hoeft niet te verbazen als je weet dat in Limburg dialect wordt gesproken in alle rangen en standen. Het is niet het dialect zelf dat de kinderen de das om doet.”

Landelijk gezien is het verschil in Cito-score tussen dialect- en Standaardnederlandssprekende leerlingen namelijk verwaarloosbaar, aldus Vallen. “Maar dialect spreken komt wel vaker voor in lage sociale milieus, en dát is dan de oorzaak van de taalachterstand bij die kinderen. Ze worden minder voorgelezen, bijvoorbeeld, en er wordt anders gecommuniceerd.”

opleidingsniveau

Dat is ook zo bij allochtone kinderen met een taalachterstand. Ook daar is het opleidings- en beroepsniveau van de ouders bepalend voor het schoolsucces. “Vooral het opleidingsniveau van de moeder – in veel allochtone gezinnen is vooral de moeder laaggeschoold. Kinderen van hoog opgeleide allochtonen hebben geen schoolproblemen.” Net zo min als die van hoog opgeleide dialectsprekers.

Dialect afleren, zoals op veel scholen gebeurt, is duidelijk niet nodig. Jos Swanenberg: “Kinderen leren op jonge leeftijd heel makkelijk een nieuwe taal. Je hoeft tenslotte ook je Nederlands niet te vergeten om Engels te kunnen leren.”

‘houdoe’

Nee, de belangrijkste zorg van de streektaaldeskundigen, onderwijsmensen, beleidsmakers en wetenschappers op het congres is dat het aantal dialectsprekers snel afneemt. Uit een onderzoek van de Radboud Universiteit, twee jaar geleden, bleek dat in de periode 1995-2003 het aantal Nederlandse ouders dat onderling het plaatselijke dialect met elkaar sprak, met een derde was afgenomen: van 27 naar 18 procent. Voor alle streektalen, met uitzondering van het Limburgs, gold dat kinderen ze beduidend minder vaak spraken dan hun ouders. In Brabant was dat nog maar drie procent.

In een enquête van de Stichting Het Brabants verklaarde weliswaar zestig procent van de Noord-Brabantse jongeren tussen de 12 en de 24 jaar ‘min of meer’ het dialect van hun woonplaats te beheersen, “maar dat kan ook betekenen dat ze alleen ‘houdoe’ zeggen”, zegt Swanenberg. Waardevol immaterieel erfgoed gaat verloren, vindt hij.

En één van de middelen om het dialect te bevorderen is het onderwijs. “Basisscholen moeten aandacht besteden aan dialect, omdat het voor sommige leerlingen de taal is die ze thuis spreken, de taal waarbij ze zich veilig voelen” zegt Swanenberg. “Als die op school genegeerd wordt, kan dat de indruk wekken dat het fout is om dialect te spreken. Dat versterkt het minderwaardigheidsgevoel dat veel dialectsprekers toch al hebben.” En dialectsprekers moeten juist ‘uit de kast’, ze moeten weer trots worden op hun moedertaal, opdat zij die later ook weer doorgeven aan hun kinderen.

Voor die emancipatie bestaan er de laatste vijf, zes jaar lespakketten als Prenteproat (Brabants), Dien eige taal (Limburgs) en Van kabouters, knienen en doezendpoten (Drents). Meestal zijn het geen taalverwervingsmethoden, maar gaat het om het ontwikkelen van een ‘positieve houding’ ten opzichte van het dialect, door kennis te nemen van vocabulaire, idioom en typische klankkenmerken.

uitsterven

Maar dat scholen zich met dialect moeten bezighouden om te voorkomen dat het uitsterft, vindt niet iedereen zinvol. Het onderwijs heeft al genoeg op zijn bordje, vindt Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar Taalvariatie aan de Universiteit van Amsterdam. Bovendien: “De functie van een dialect is het vormgeven van de identiteit van een bevolkingsgroep in een bepaalde regio. Als die behoefte aan een gezamenlijke identiteit vervalt, sterft het dialect uit. Dat is een natuurlijke ontwikkeling, en die valt niet tegen te houden door het dialect in het onderwijs een aparte rol te geven. Je ziet het aan het Fries: alle kinderen in Friesland krijgen het als verplicht schoolvak, toch neemt het aantal sprekers af.”

Hans Bennis wijst er nog maar eens op dat het onderscheid tussen taal en dialect niets met linguïstiek, maar alles met politiek te maken heeft. “Als de geschiedenis iets anders verlopen was, zou het Limburgs nu de standaardtaal zijn geweest in Nederland, en was het Hollands een dialect geweest.”

Voor informatie over de streektaalconferentie zie www.brabants.org.