Kinderen uit de kelder

Veel details van de Oostenrijkse incestzaak zijn nog onbekend. Toch kunnen deskundigen er uitspraken over doen. De primatoloog: „Dat incest zo weinig voorkomt, dát is interessant.”

Een vader houdt zijn dochter 24 jaar gevangen in een kelder onder zijn huis. Verwekt zeven kinderen bij haar. Verbrandt een baby, die kort na de geboorte was overleden. En pas als een ander kind bijna dood is en naar het ziekenhuis moet, komt het geheim uit. Dat was op 27 april, in Oostenrijk. We noemen het de tragedie van Amstetten, de Fritzl-incestzaak, de horrorkelder. We vinden het walgelijk, onvoorstelbaar, en we vragen ons af hoe dit kan gebeuren.

Dat incest voorkomt, is niet verbazingwekkend, zegt evolutiebioloog en primatoloog Jan van Hooff. Dat het zo weinig voorkomt, dát is interessant. „De mop is, dat als het met grote frequentie in een populatie voorkomt, er mechanismen ontstaan om inteelt te voorkomen.” Seks met verwanten, zegt Van Hooff, is een slechte investering. De kans op succesvolle voortplanting is kleiner. „In de meeste individuen gaat veel rotzooi schuil in de genencomplexen.” Paar je met een verwant, die vergelijkbare genetische defecten heeft, dan is de kans veel groter dat er letale combinaties ontstaan. Ook dan kan het goed gaan, maar vaak komt er geen nageslacht, of er komen gebrekkige kinderen van.” En dat wil niemand. Elke soort wil de fitness van het nageslacht maximaliseren.

Er zijn sociale regelprocessen: puberchimpansees die hun zusjes of tantes belagen, worden afgeweerd. Bij andere soorten verlaten de vruchtbare meisjes de groep. Of de dominante vaders verkassen vóór hun dochters volwassen worden. Emotionele barrières en remmingsmechanismen zorgen er ook voor dat verwanten zich veel minder tot elkaar voelen aangetrokken, althans in seksueel opzicht. „Wanneer je van jongsaf aan naastheid, vertrouwdheid voelt met een individu, is de kans groot dat het een bloedverwant is. Je mag ze wel, maar je hebt geen seksuele interesse.” Een moeder zal zich distantiëren van haar opgroeiende zoon. „Een jong mannetje heeft een intense afhankelijkheidsrelatie met zijn moeder. De vroege intimiteit belemmert het ontstaan van seksuele aantrekkingskracht.” Iets anders kan het liggen voor een volwassen man en zijn volwassen wordende dochter. „Bij veel soorten is er minder verbondenheid in de vroege jeugd, en de machtsverhouding is asymmetrischer dan die tussen moeder en zoon.”

Is er toch seks tussen verwanten, dan vinden we dat afstotend, afschuwwekkend, zegt Jan van Hooff. Hij zegt dat die emoties een ‘vertaling’ zijn van de oeroude, onderliggende biologische mechanismen. En mensen leggen die emoties vast in regels en wetten. „Een formalisering van onze natuurlijke neiging.”

Fascinatie voor incest, of het nu de Griekse tragedies zijn of de horrorkelder in Amstetten, komt voort uit ons „diepgewortelde besef” van het taboe. Zegt Van Hooff. Dat is een geruststelling. Maar wanneer gaat fascinatie over in sensatiezucht? Toeristische tripjes naar het huis van Josef Fritzl aan de Ybbstraße in Amstetten? Is het onkies om erover na te denken? Aan zes wetenschappers is gevraagd wat zij, met hun vakkennis, kunnen zeggen over het kelderdrama. Ze willen niet speculeren over wat er is gebeurd. Want dat weet niemand. Zij kunnen wel iets zeggen over de feiten die nu bekend zijn. Over wat het kan betekenen voor een volwassen vrouw om 24 jaar opgesloten te zitten in een kelder van zestig m², zonder daglicht, zonder frisse lucht, zonder bewegingsruimte. Over de moederliefde voor het kind van je vader, je cipier, je verkrachter. Hoe kinderen zich ontwikkelen in een kelder. Zonder school, vrienden, een buitenwereld. Over wat een vader beweegt om zeven kinderen te verwekken bij zijn dochter. En of die kinderen, de eerstegeneratie-inteelt, wel in orde zijn?

Als het niet zo naar zou klinken, zegt hoogleraar gedragsfysiologie Jaap Koolhaas, zou je zeggen dat deze kinderen interessante studieobjecten zijn. Het is, zegt hoogleraar medische biologie Paul Luiten, een buitengewoon wetenschappelijk experiment. Dit kelderdrama, zegt klinisch psycholoog Wim Wolters, laat heel gecondenseerd zien waartoe de mens in staat is. Het kwaad, het monsterachtige zit in elk mens. In Amstetten kwam het tot een ‘vulkanische uitbarsting’.

De incest zelf, de verkrachting van de moeder voor de ogen van de kinderen, de kinderen die mogelijk zelf weer misbruikt zijn door hun opa/vader, dat is niet bijzonder, zegt Wolters. Hij is als deskundige bij veel ernstige misbruik-, en geweldszaken in Nederland en daarbuiten betrokken geweest. Dat het in Amstetten 24 jaar heeft geduurd, dát is uitzonderlijk. Dat zou in Nederland waarschijnlijk niet kunnen. „Hier is meer sociale controle. Oostenrijkse collega’s zeggen dat ook. De cultuur daar is meer op zichzelf, er is minder bemoeienis.”

Iedereen bedenkt zijn eigen scenario bij wat er zich heeft afgespeeld in die kelder. Alleen het scenario van Wolters is, door zijn ervaringen, gedetailleerder dan gemiddeld. Wolters verwijst naar het boek dat hij nu aan het lezen is: Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel, pagina 143-144. Aan het woord is een priester over de biechten die hij afnam. „Ik ben een menselijk afvoerputje. In dat hoofd van mij kun je al je ettervocht en smerigheid gieten, zodat je je weer verlicht en opgelucht voelt.” De priester beklaagt zich over de menselijke hartstochten. „Slopen! Schenden! Slachten! Bevuilen!” Wolters wil niet dramatiseren, zegt hij. Hij wil alleen zeggen dat alles wat je maar kunt bedenken, ook gebeurt. Amstetten gaat, zegt hij, over seks en macht over kinderen.

Cisca Wijmenga is hoogleraar humane genetica in Groningen. In theorie, zegt zij, kun je verwachten dat de zes kinderen van Josef Fritzl en zijn dochter Elisabeth genetische afwijkingen hebben. „Wat we nu veel zien, zijn de kinderen van neef-nichthuwelijken onder Turken en Noord-Afrikanen. Die kinderen lijden vaker dan gemiddeld aan ernstige stofwisselingsziektes. Waardoor een stofje dat wordt omgezet in de hersenen, ontbreekt en het IQ niet boven de veertig komt.” Een vader en een dochter hebben meer genetische overeenkomsten dan een neef en een nicht. De kans op handicaps is groter. „Soms leidt het tot een spontane abortus. Vaak is het nageslacht zelf verminderd vruchtbaar. Zo zijn hele monarchieën in Europa aan inteelt uitgestorven.” Maar bij die families was inteelt een sneeuwbal. Bij een eerste generatie inteelt kan het reuze meevallen. Kijk naar de cijfers: op duizend kinderen van een neef-nichthuwelijk zijn er twee die iets mankeren. Bij een vader-dochterrelatie is dat vier kinderen op de duizend. „Dat is nog niet dramatisch.” Inteelt, zegt Cisca Wijmenga, kan lang goed gaan. „In de veefokkerij doen ze niet anders.”

Zes (klein)kinderen van Fritzl leven, één is overleden. Of die zes geestelijk en lichamelijk gezond zijn, is een tweede. Veel hangt af, zegt Cisca Wijmenga, van het DNA van de vader. „Hij lijkt me een gestoorde man. Misschien zijn zijn kinderen het ook. De kinderen groeiden ook nog eens op in een weird gezin. Als de kinderen afwijkingen vertonen, is het de vraag of dat door nature of nurture komt.”

Uit de literatuur zijn gevallen bekend van kinderen die in volledige isolatie opgroeiden. Casper Hauser was 16 toen hij in Neurenberg werd aangetroffen, in 1828. Hij zou zijn donkere cel, van 1.80 bij 2.30 meter zijn ontvlucht. Oxana Malaya uit Oekraïne zou tot haar achtste in een hondenhok hebben geleefd. Victor van Aveyron zou door wolven zijn grootgebracht. Wolfskinderen worden ze genoemd. Mijna Hadders-Algra, hoogleraar ontwikkelingsneurologie in Groningen is gespecialiseerd in de ontwikkeling van het kinderbrein. Zij vertelt over onderzoek naar de kinderen die opgroeiden in de kindertehuizen in Roemenië, ten tijde van Ceauçescu. „Kinderen werden van baby af aan aan hun lot overgelaten, zonder speelgoed, zonder contact met volwassenen, een plons water bij wijze van wasbeurt.” Die kinderen bleken een cognitieve achterstand te hebben. Zeker 20 tot 30 IQ-punten minder dan normaal.

Het zenuwstelsel, zegt Mijna Hadders, houdt van ervaring, interactie met de omgeving, van leren. Juist de vroege ervaringen zijn van invloed op het zich ontwikkelende zenuwstelsel. Hoe vroeger processen zich afspelen, hoe meer consequenties dat heeft. In positieve en in negatieve zin. Deprivatie en isolatie in de vroege jeugd maakt dat kinderen slechter zullen bewegen, communiceren, denken. Bij een kind dat ook nog eens nare dingen meemaakt, stellen de synapsen in de hersenen zich anders in. Maar hoe of in welke mate, dat is de vraag. „Het brein, zeker het jonge, gezonde brein is in staat oplossingen te verzinnen voor als er iets niet goed is.” Dat weet Mijna Hadders van haar onderzoek naar kinderen die geboren zijn met een congenitaal cataract, staar. „Die kinderen moet je opereren vóór ze zes oud weken zijn. Dan gaan ze normaal zien. Wacht je te lang, dan blijven ze ernstige visuele problemen houden. De hersenen hebben dan al een alternatief gevonden om met de blindheid om te kunnen gaan. Blinde kinderen leren volledig normaal kruipen, lopen, grijpen, zij het iets later dan ziende kinderen. Ze vinden hun eigen oplossingen.” Zo kent Mijna Hadders een blind meisje, dat bij het kruipen tong-klikgeluidjes maakt om de omgeving af te tasten, een soort echolocatie. De kelderkinderen uit Oostenrijk zijn opgegroeid in het halfduister, met alleen kunstlicht. In de tuin van de Landesklinikum Mostviertel in Amstetten dragen ze zonnebrillen. Waarschijnlijk zullen ze niet meer wennen aan daglicht.

De weeskinderen uit Roemenië leerden elkaar praten. De broers Stefan (18) en Felix (5) uit de Oostenrijkse kelder maken, volgens de politie, onderling dierlijke geluiden. Ze grommen en kirren. De Roemeense kinderen gebruikten hun lakens, hun po, alles wat ze maar konden vinden als speelgoed. Ook de kelderkinderen zouden geknutseld hebben, gelezen, tv gekeken. Hadders: „Maar het blijft een rare wereld voor ze. Wat ze op tv zagen, hebben ze nooit kunnen toetsen aan de werkelijkheid.” Of het ooit goed komt met ze? „Wat me fascineert is de veerkracht van het kinderbrein. In elke rotsituatie verzint het iets. Soms komt er iets moois uit. Kiezen ze net de goede vriendjes, waar ze steun aan hebben.”

Mijn ratten en muizen, zegt gedragsbioloog Jaap Koolhaas uit Groningen, zitten hier letterlijk in de kelder, en ze groeien op onder keldercondities. Hij onderzoekt, experimenteel, hoe het gedrag van proefdieren wordt beïnvloed door ervaringen in de vroege jeugd. Hij onderwerpt muizenbaby’s aan volledige sociale isolatie. En laat ze, eenmaal volwassen, los in een prikkelrijke omgeving met soortgenoten. „Je ziet dat de dieren die niet gespeeld hebben met soortgenoten de sociale stress niet aankunnen. Ze reageren te agressief of juist te passief. Trekken zich terug, raken depressief.”

Niet alleen de ervaringen in de vroege jeugd zijn bepalend, ook de persoonlijkheid. Want die hebben muizen ook. Je hebt het agressieve dier, met een pro-actieve ‘copingstyle’. Die zal altijd een nest bouwen, ook al is zijn hok nog zo koud, nat en donker. Het reactieve dier legt zich bij de situatie neer en doet niks. De ene persoonlijkheid is niet beter dan de ander. Soms is het, zegt Koolhaas, beter je aan te passen dan je dood te vechten.

Kunnen de keldermuizen zich ooit nog aanpassen aan de ‘normale’ wereld? Nee, zegt Koolhaas. „Proefdieren overleven hun vrijlating meestal niet.” Kunnen die dan maar beter in de kelder blijven? Dat is, zegt Jaap Koolhaas een fundamentele filosofische discussie. Hij voert die vaak met de dierenbescherming. „Mijn proefdieren zijn laboratoriumartefacten. Ze weten niet beter. Moet of mag je die wel blootstellen aan een omgeving waartegen ze niet zijn opgewassen? De dierenbescherming vindt dat het welzijn van dieren alleen gediend is bij een omgeving waarvoor het organisme geëvolueerd is. Ik neig ertoe om te zeggen: wat niet weet, wat niet deert. Een beschermde omgeving is beter dan onhanteerbare vrijheid.”

Geldt hetzelfde voor de kinderen, hadden die beter niet bevrijd kunnen worden? Koolhaas: „Het zou mij verbazen als ze ooit nog normaal kunnen functioneren. Van wolfskinderen is bekend dat ze later volstrekt afwijkend gedrag bleven vertonen. Maar hun jeugd was nog wel een slag erger dan die van de kelderkinderen. Die hadden nog een redelijk normale band met de moeder, hun broer, hun zus. De Roemeense weeskinderen werden verwaarloosd. De kelderkinderen kregen te eten, werden gewassen en verzorgd. Er hoeft niet zo heel gek veel mis met ze te zijn. Veel hangt af van de moeder. Stress bij de moeder is funest voor de nakomelingen.”

Paul Luiten zegt ook dat de rol van de moeder cruciaal is. Hij is hoogleraar medische biologie, ook in Groningen. „Als die kinderen met de moeder goed contact hadden, als de moeder redelijk ontspannen was en alle energie stak in de affectie voor haar kinderen, dan hebben ze een hoop mee gekregen. Kinderen die geen aandacht en affectie krijgen, zijn opgegeven. Dat weten we wel.”

Wat hem ook interesseert, omdat het zijn vakgebied is, is wat het gebrek aan ruimte en dus aan beweging met de hersenen heeft gedaan. Bekend is dat de oudste zoon Stefan van 18 rugklachten heeft, omdat hij in de kelder van 1.70 meter hoog niet rechtop kon staan. „We weten dat volwassen hersenen nieuwe zenuwcellen kunnen aanmaken. Neurogenese heet dat. Alleen als iemand regelmatig beweegt, genereert dat nieuwe cellen. Muizen die dagelijks in een loopwiel rennen, scoren beter op leertesten. Als Alzheimerpatiënten fysiek actief blijven, werkt hun verstand beter.” Maar wat gebeurt er als je je leven lang in een kelder rond schuifelt? Sterven er dan cellen af? Luiten weet het niet. Er is wel wat kennis over, door onderzoek naar gevangenen in eenzame opsluiting. Alleen, die zijn al volwassen. In de hersenen van de kelderkinderen zullen geen geheugensporen zijn voor de meeste beelden en geluiden, diepte en hoogte, vermoedt Paul Luiten. Maar misschien gelden hier ook de wetten van de neurogenese en herstelt het hersenweefsel zich zodra de kinderen wel voldoende bewegingsruimte krijgen. Luiten sluit het niet uit.

Klinisch psycholoog Wim Wolters heeft weinig fiducie in herstel. Een moeder die onder deze omstandigheden niet gestresst is? Dat lijkt hem uitgesloten. De oudste dochter, Kerstin van 19 die nu in coma in het ziekenhuis ligt, lijkt hem diep beschadigd. De jongen van 18, die altijd in de kelder woonde? Wat heeft hij gezien? Heeft hij mee moeten doen met de incest? Was het een panorgie in de kelder? Hem zou het niet verbazen. Kinderen die zo langdurig zijn verwaarloosd, maken grote kans op volwassen leeftijd psychiatrische stoornissen te ontwikkelen, ze worden suïcidaal of gaan crimineel gedrag vertonen. „Er wordt gezegd dat die Felix van vijf, opgegroeid in de kelder, een goedgemutst kind is. Dat de drie kinderen die bovengronds opgroeiden leuke, populaire kinderen zijn. Ik heb daar grote twijfels bij. Kinderen ruiken geheimen.”

Wat hij zich afvraagt is of de incest tussen Josef en zijn dochter inderdaad op haar elfde is begonnen. „Was er, cynisch gezegd, een voorspel.” Een man die zich vergrijpt aan een jong, onmondig kind is een ander soort dader dan de vader die een bijna volwassen dochter misbruikt. Was er sprake van multiple incest? Deed hij het met meer kinderen en was Elisabeth het preferente kind? „Incest is zo buitengewoon complex. Ik had hier een meisje van 14 aan mijn bureau, een prachtig kind, ze had een jarenlange incestrelatie met haar vader. Haar moeilijkste punt was: als ze met haar vader vree, kreeg ze een orgasme van grote orde.” Zeker als incest gepaard gaat met verwaarlozing, is een vrijerij voor het kind een erkenning, een bijzondere vorm van aandacht. Hij kent de meisjes die weglopen uit het opvanghuis. Terug naar huis. „Rechtstreeks het bed van papa in.” En hun moeder? Die doet alsof ze van niks weet, weet echt niks, of assisteert de vader.

Net als evolutiebioloog Jan van Hooff kent Wolters de biologische, de emotionele en sociale barrières die incest en inteelt voorkomen. Maar de belustheid op macht en seks is bij de incestpleger zo groot, zegt Wolters, dat alle biologische kaders omver worden geworpen. Zou het dan niet voor de hand liggen om het resultaat van de incest, de kinderen, weg te werken? Dat vindt Jan van Hooff een krankzinnige optie. „Als je al een biologisch stomme weg hebt gekozen voor succesvolle voortplanting, en het lukt – goed, misschien zijn de kinderen wat gebrekkig of allergisch – dan ga je de schade niet groter maken door die kinderen te doden. Ook dan heeft een moeder de natuurlijke aandrang om ervoor te zorgen. Is het het kind van je verkrachter? Kan zijn, maar het is mooi wel jouw kind.” Wolters kent lieve, zorgzame moeders die het kind van hun vader grootbrengen. „De liefde voor het kind is primair. Het kan.”

Zoals iedereen zijn eigen scenario bedenkt, zo heeft iedereen ook één aspect dat hem het meest onthutst. Bij Wolters is dat het verbranden van het overleden kind, één van een tweeling. „Dat wijst op een groot gevoelsdefect bij Josef Fritzl. Om zo emotioneel beheerst, zo pragmatisch je eigen kind op te ruimen. Deze man moet zelf een verleden hebben van verwaarlozing, mishandeling, misschien misbruik.” Hij is er, wat Wolters noemt, polymorf pervers van geworden. Een gefragmenteerde persoonlijkheid, met een boven- en een kelderleven. „In de kelder had hij absolute macht. Daar was zijn sprookjeswereld.”