‘Jongens op scootertjes proberen ons te slaan’

In Napels werd onlangs een kamp voor zigeuners met molotovcocktails bestookt door de lokale bevolking. Het geweld tegen de Roma wordt alledaags.

Op 14 mei ging in Napels een kamp voor Roma in vlammen op nadat het door de lokale bevolking met molotovcocktails was bestookt. Foto AP Firemen hose down a camp of Roma people that was set on fire on the outskirts of Naples, Wednesday, May 14, 2008. Other camps were evacuated in Naples, southern Italy, earlier this week after assailants set the huts on fire and angry residents protested against the alleged attempt by a Roma woman to kidnap a baby. Italian police said Thursday, May 15, 2008 they had arrested almost 400 people in a crackdown on street crime and illegal immigration, just as the new government prepares tougher measures on illegal immigrants. (AP Photo/Salvatore Laporta ) Associated Press

Enzo Somma stapt uit zijn met boodschappentassen volgestouwde auto. Zigeunervrouwen en -kinderen komen op de medewerker van de kerkelijke hulporganisatie San Egidio toegelopen. Ze vragen om kleren en eten. Boven hun hoofd razen auto’s over het viaduct. Eronder langs modderige wegen, vuilnishopen en rattennesten hebben zij hun houten barakken gebouwd met daken van golfplaat. Dit is Scampia, een van de gevaarlijkste wijken van Napels. Hier worden de Roma-zigeuners nog gedoogd.

„Wat gaat er nu gebeuren, Enzo?”, vraagt Zvetlana die twintig jaar geleden uit Belgrado naar Italië vluchtte. Ze doelt op het wetsvoorstel van de regering-Berlusconi om illegaal verblijf strafbaar te stellen en illegalen die meer dan twee jaar celstraf krijgen uit te zetten. „Berlusconi wil dat we vertrekken, maar ik wil blijven. Mijn kinderen zijn hier geboren, ze spreken alleen Italiaans en onze zigeunertaal. Ze hebben niks met Joegoslavië. Ik heb er geen huis.”

„Ik ben dertig”, zegt Osman Karic, die wat verderop met moeder, vrouw en drie kinderen in een barak zonder sanitair woont. „Ik ben geboren in Italië. Maar ik heb nooit een verblijfsvergunning of een document gekregen, omdat ik geen vaste verblijfplaats heb.” Nu is hij bang dat hij wordt weggejaagd. Veel van zijn buren hebben hun barakken al verlaten en elders een veilig heenkomen gezocht.

Het wetsvoorstel, en zeker de aanval met molotovcocktails op een naburig zigeunerkamp, houden de zigeuners bezig. Ze zijn bang voor een nachtelijke overval. Ze durven de stad nauwelijks nog in. „We worden bedreigd en geslagen”, zegt Zora, een prachtige donkere vrouw in kleurige jurk. „Napolitanen zeggen steeds: ‘ben je nog niet teruggekeerd naar je eigen land. Ga weg. Wij Italianen hebben het ook moeilijk’.”

De zigeuners in Italië liggen al jaren onder vuur. Maar de spanning is toegenomen. Op verschillende plaatsen zijn zigeunerkampen aangevallen, onlangs nog Napels en ook in Novara. In Opera, bij Milaan, is een burgemeester gekozen die lokale bekendheid verwierf door met handlangers een zigeunerkamp aan te vallen. De burgemeester van Verona is al eens veroordeeld voor het oproepen tot rassenhaat. 70 procent van de Italianen wil volgens een enquête van dagblad La Repubblica dat de Romazigeuners worden uitgezet en hun kampen worden ontmanteld.

„Het beschavingsniveau kalft af”, zegt Paolo Ciani van de kerkelijke organisatie San Egidio in Rome. „Jarenlang is er door centrum-rechtse partijen en de media angst gecreëerd. Wantrouwen was er altijd wel, maar dat vuur is aangewakkerd. Ook door links.”

Nu zijn zigeuners de zondebok. Er wordt steeds botter over ze gesproken. Ciani: „Op tv liet men een Napolitaan gewoon zeggen: ‘Ze hadden niet alleen het kamp, maar ook de mensen moeten verbranden’. Als je dat mag zeggen, is het maar een kleine stap om het ook uit te voeren.” Sommige politici tonen begrip voor degenen die het recht in eigen hand nemen en met molotovcocktails gooien.

In een klooster, achter een veilig hek in de volkswijk San Lorenzo zit Maria, 25 jaar, met haar vijf kinderen. Ze is er tien dagen geleden aangekomen, na de brandstichting in het zigeunerkamp van Ponticelli in Napels. „We hebben er twee vreselijke nachten doorgebracht. In de verte brandde een naburig kamp. Napolitanen dreigden ons te vermoorden. De politie moest ons beschermen. De kinderen lagen op de grond en hebben twee dagen aan een stuk gehuild.”

Aanleiding voor de volkswoede was de vermeende poging tot diefstal van een baby door een zigeunervrouw. „Maar als één iemand zoiets verschrikkelijks doet, hoeven ze ons toch niet allemaal aan te vallen”, zegt Maria. „Vrouwen die ons de dag ervoor eten kwamen brengen, stonden nu dreigend met stokken naar ons te zwaaien.”

Paolo Ciani, van San Egidio, wijst met de beschuldigende vinger naar de Italiaanse staat. Er leven zo’n 150.000 zigeuners in Italië. 70.000 van hen zijn Italianen en wonen er al generaties lang. 35.000 zijn ex-Joegoslaven die veertig jaar geleden al kwamen en ook tijdens de Balkanoorlog in de jaren negentig. Ze hebben geen geldige identiteitspapieren, omdat hun land heeft opgehouden te bestaan. Maar ze hebben ook nooit Italiaanse documenten gekregen, waardoor ze zich nooit hebben kunnen integreren. De afgelopen jaren zijn daar nog eens ruim 40.000 zigeuners uit Roemenië bijgekomen. En met hun komst is het wankele evenwicht tussen Italianen en zigeuners verstoord.

„De overheid heeft nooit iets geregeld voor deze groepen en nu krijgt ze de rekening daarvoor gepresenteerd”, zegt Ciani. Hij neemt Rome als voorbeeld. Daar wonen 10.000 zigeuners. 7.000 in door de gemeente goedgekeurde kampen, maar de helft van die kampen heeft geen gas, licht, water en riolering. Zo’n 2.500, vooral Roemeense zigeuners, wonen in grotten, onder viaducten en in parken onder nog slechtere omstandigheden. „Het is geen pretje voor de zigeuners, maar ook niet voor de Italianen die naast deze kampen leven waar men noodgedwongen in de vrije natuur zijn behoefte moet doen.”

„Als wij een kans op werk zouden hebben, zouden we niet hoeven stelen”, zeggen Osman en Zvetlana. „Dacht je dat ik het leuk vind om met mijn kinderen te bedelen. Ik schaam me daarvoor”, zegt Zora. „Dat wij nog steeds zo leven is de schuld van de Italiaanse staat’’, meent Osman. „Met een verblijfsvergunning zouden we werk kunnen gaan zoeken.”

Argentina is trots op haar afkomst. Ze heeft werk en een document. Ze is een van de weinigen. Ze poetst elke zondag de grafstenen van Italianen. „Ik krijg drie euro per zerk.” Zij geeft vooral de Roemeense zigeuners de schuld van de uit de hand gelopen situatie. „Zij overtreden de wet en hebben het voor ons verpest.”

Vanuit het kamp in Scampia gaat ze met Enzo en een paar andere zigeunervrouwen mee naar een gebedsdienst voor de vrede in het centrum van Napels. De priester roept op tot naastenliefde en herinnert de Napolitanen aan de moord op 500.000 zigeuners in de Tweede Wereldoorlog. „Denk aan hun kinderen. Wat voor volwassenen zullen dat worden als ze onder deze dreiging moeten opgroeien?”

Als iedereen een kaars heeft opgestoken, staat daar Constantin. Een jonge Roemeense zigeuner van 22. Hij is sinds twee jaar in Italië. Hij trilt. Hij verliest zijn begeleider van San Egidio geen moment uit het oog. „Ik wil weer een beetje werk vinden. Maar ik ben bang.” Hij durft de straat niet meer alleen op, nadat hij vluchtte voor de vlammen. „Iedereen schreeuwt naar ons. Jongens op scootertjes proberen ons te slaan.”

In het klooster kijkt Maria met haar vijf kinderen glazig als haar naar de toekomst wordt gevraagd. „Toekomst? Wat is dat. Ik ben verdrietig voor de kinderen. Ze gingen naar school, maar nu we zijn weggejaagd, kan dat niet meer.”

Haar kinderen openen een envelop. Post van klasgenootjes. Een pakket tekeningen: zonnen, bloemen en glimlachende gezichten.

„Het wordt tijd dat iedereen zijn kalmte gaat bewaren”, zegt Paolo Ciani. „Het moet afgelopen zijn met deze heksenjacht.”