Jan Pronk vertelt ambassadeurs over zijn dromen

Even buiten Genève spreekt Jan Pronk diplomaten en hulpverleners toe. „Een beetje provocerend mag wel.”

„Dank voor uw scherpe analyse, meneer Pronk”, zegt de Jordaanse ambassadeur. „Ik ben het met u eens dat de internationale gemeenschap in crisisgebieden vaak wat vluchtelingenkampen opzet en wat peacekeepers stuurt en dan denkt: dat is dat. Zo lossen we politieke problemen niet op, zo voeden we ze. U zegt: we moeten creatiever worden in het zoeken van politieke oplossingen. Maar hoe?”

Jan Pronk – voormalig ontwikkelingsminister, voormalig speciaal gezant van de VN in Soedan – heeft net, in een van de bijgebouwen van een kasteel buiten Genève, een gepassioneerde lezing gehouden over vluchtelingen die al decennia wegrotten in kampen over de hele wereld. Over hoe het Westen tegenwoordig zegt: Vluchtelingen moeten meer in hun eigen regio worden opgevangen, terwijl „meer dan negentig procent al in hun regio wórdt opgevangen! En veel vriendelijker, mind you, dan die paar procent die naar Europa komt. Het Westen is hypocriet.”

Het publiek vanmiddag: diplomaten, vooral, en hulpverleners van de VN, opgetrommeld door de Nederlandse ambassade. Nederland leidt de groep donorlanden bij de vluchtelingenorganisatie UNHCR. „Spreek vrijuit, Jan”, had ambassadeur Van Eenennaam als introductie gezegd. „Een beetje provocerend mag wel.”

Zoiets hoef je Pronk niet te zeggen. Na een minuut kwamen de notitieboekjes uit binnenzakken en aktentassen. De Roemeense ambassadeur, de Marokkaanse, iemand van het Rode Kruis, de tweede vrouw van UNHCR: ze maakten als bezetenen aantekeningen.

Pronk over de introverte mentaliteit van de VN: „Ontwikkelingsmensen kijken neer op hulpverleningsmensen. En andersom. Niemand wil gecoördineerd worden, dus alle VN-organisaties werken langs elkaar heen. Sommigen doen uitstekend werk, en de hulpverlening in Darfur wordt praktisch gerund door gemotiveerde jongeren die zich kapotwerken. Ik ben zelf deel van dat wereldje geweest. Je verleent hulp. Redt levens. Maar je doet niets om het conflict te stoppen. Soms verleng je het. Lees het boek ‘Emma’s War’. Dat gáát daarover.”

Pronk over vluchtelingenkampen: „Hoe langer mensen daar zitten, hoe groter hun frustratie. Het is goed dat de VS nu Iraakse vluchtelingen uit Jordanië en Syrië opnemen. Het geeft de achterblijvers perspectief. Hoop. Zo worden ze minder vatbaar voor manipulatie door hun leiders. Voor radicalisering. Voor geweld tegen het Westen dat met twee maten meet.”

Over globalisering: „Dit veroorzaakt ongelijkheid. Dit kan leiden tot geweld.” Over Afghanistan: „Wij helpen niet problemen op te lossen in Afghanistan, we voeden dat conflict juist. Schandalig.”

Pronk noemde zichzelf een pessimist – al ziet hij lichtpuntjes, zoals Obama. Hij wil het „kunstmatige, onrechtvaardige onderscheid” tussen vluchtelingen en ontheemden (die in eigen land op drift zijn) opheffen. Verder moet de VN eindelijk serieus werk maken van reconstructie na conflicten: „In ontwikkeling zijn we goed. Maar het duurt vijf jaar voor die sophisticated projecten gaan lopen. Ik zag het in Soedan: mensen hebben water nodig, scholen. Meteen als er vrede uitbreekt. Anders zeggen ze: waar is vrede goed voor? En gaan ze weer vechten.”

„Misschien”, zegt hij over zijn aanbevelingen, „zijn het dromen die ik wil laten uitkomen.”

Dan vraagt de Jordaanse ambassadeur wie dat moet doen. Pronk luistert: hoofd gebogen, bril boven de wenkbrauwen geschoven, knokkels in zijn ogen. En roept ineens: „Ú. Ú moet dat doen.”

„Maar”, zegt de Jordaniër, „politieke besluiten worden bij de Veiligheidsraad in New…”

„Dat is juist het probleem! Dat hulpverlening in Genève zit en politieke besluitvorming in New York. Je moet ze integreren! In New York worden óók geen beslissingen genomen. Behalve om weer een comité op te richten. Toen ik vroeger bij Unctad zat ging dat al zo. Ging je naar het ene comité, zeiden ze: u moet met uw probleem naar een ander comité. Het andere comité stuurde je weer terug. Burgers geven de VN de schuld. Maar dit is het resultaat van úw beslissingen. De landen maken de VN tot wat ze zijn.”

Hij maant de Jordaniër: „Praat met uw collega in New York. Als ú niets verandert, doet niemand ’t.”

Later, bij canapeetjes en wijn (cola voor Pronk), zeggen sommigen dat ze al lang geen Nederlander in Genève zoveel zinnigs hebben horen zeggen. „Is hij in de race voor een VN-baan?” vraagt iemand die had gehoord dat Pronk „toch in de stad moest zijn”. „Onder déze regering?”, schampert een ander.

Pronk legt verderop uit dat „alle naoorlogse internationale organen aan vernieuwing toe zijn. De EU, VN, Wereldbank, IMF. Vernieuwing gebeurde tot nog toe altijd in de vorm van ‘uitbreiding’. Meer landen, meer geld, meer projecten. Maar de wereld is veranderd. Dus moet je die organisaties equiperen voor nieuwe taken. Daar is politieke wil voor nodig, van landen. Die ontbreekt vaak.”

Gasten vertrekken. Velen geven hem een hand. Pronks enige hoop? „De nieuwe generatie.”