Gevoeligheden

De vrijheid van meningsuiting is een groot goed – jammer dat de opwinding die nu over de opiniepagina’s raast daar niets mee te maken heeft. Welke mening zou in Nederland niet verkondigd mogen worden? Je kunt in het hedendaagse Nederland gerust zeggen dat de islam een achterlijke godsdienst is – en ook dat homoseksuelen lager zijn dan honden en varkens, of dat ongelovigen hun dagen slijten in een staat van dierlijk onbewustzijn, het zijn net honden eigenlijk. Je mag vinden dat Wilders wel of niet op Hitler lijkt, en met Rita Verdonk mag je vinden dat het Arabische deuntje in het Nederlandse Songfestivalliedje vijftien miljoen autochtone Nederlanders ernstig tekortdoet. Je mag zeggen dat moslims een bedreiging voor onze samenleving vormen, dat de hoofddoek een symbool van de ergste vorm van onderdrukking is, dat het Westen door en door verrot is en ook dat het Sinterklaasfeest per direct verboden zou moeten worden. Je mag zeggen dat negers dom zijn, homo’s op dieven lijken, en dat Chinezen stinken. Steeds meer mensen durven dat soort dingen te zeggen – en tegelijk beweren ze dat je in Nederland steeds minder mag zeggen.

Dat laatste is een misverstand. Het wordt, denk ik, veroorzaakt door het feit dat steeds meer mensen er niet goed tegen kunnen wanneer hun mening hun niet in dank wordt afgenomen. Wat bedreigd wordt, is niet de vrijheid om iets te zeggen. Wat bedreigd wordt, is de vrijheid om iets terug te zeggen.

Echt, met de vrijheid van meningsuiting zelf gaat het uitstekend. Je kunt zelfs stellen dat die vrijheid de afgelopen jaren alleen maar groter is geworden. Er worden in Nederland dingen beweerd die tien, vijftien jaar geleden ondenkbaar geweest zouden zijn. De toespraak van Rita Verdonk in de Passengers Terminal bij de start van haar beweging liet zien dat de opvattingen van dat verbleekte symbool van het kwaad, Jörg Haider, eigenlijk maar slappe kost waren. Op haar beurt vindt Verdonk het niet prettig om in het openbaar voor ‘Rita hoer!’ te worden uitgemaakt – iets wat Hannie van Leeuwen haar werkende leven nooit is overkomen. Het mag!

Als je de publieke ruimte overziet en wat daar allemaal in verkondigd wordt, is het best lastig om mee te gaan in de verontwaardiging over de bedreigde vrijheid van meningsuiting. Dat de tekenaar Nekschot dertig uur lang werd vastgehouden, omdat het OM kennelijk niet achter het wachtwoord van zijn computer kon komen, is inderdaad schandalig – maar de praat van columnisten en cabaretiers die roepen dat het nu binnenkort wel hun beurt zal zijn, dat ze ieder moment de klop op de deur kunnen verwachten, lijkt me een beetje overdreven. Zolang het geen oorlog is, zit in Nederland iedereen in het verzet.

De affaire-Nekschot leert nu juist dat het beperken van vrijheid van meningsuiting tegenwoordig onmogelijk is. Wanneer voorheen iets vervolgd of verboden werd, ging het ondergronds. In een mediacultuur wordt het juist extra zichtbaar. De tekeningen van Nekschot zijn de hele dag op televisie. De Iraanse fotografe Soora Heera mag grote moeite hebben haar foto’s in een museum in Gouda aan de muur te krijgen, ik heb ze juist door die affaire talloze malen onder ogen gehad. In tijden van massamedia en massacommunicatie valt eenvoudig niets te verbieden.

Dat besef lijkt niet doorgedrongen – niet bij de verontwaardigden die moord en brand schreeuwen over de bedreiging van onze kostbare vrijheid en ook niet bij de christelijke verantwoordelijken die kwetsbaren willen beschermen tegen misbruik van de vrijheid van meningsuiting – daar waar, in woorden van het CDA-Kamerlid Van Haersma Buma, „het vrije woord ontaardt in mensen onnodig pijn doen.’’ De affaire-Nekschot is een idioot misverstand; aan de ene kant een overheid die denkt er goed aan te doen door van bovenaf in te grijpen om „onnodig pijn doen” te voorkomen; aan de andere kant de VVD die zich nu gedwongen ziet haar naam principieel te verbinden aan de zielige recalcitrantie van Nekschot door middel van een expositie in de Tweede Kamer. Het is een wedstrijd in onzinnigheid.

En een discussie tussen doven, natuurlijk. Waar de ene partij bewust onsmakelijke tekeningen als die van Nekschot ziet als uitingen die erop uit zijn mensen „onnodig pijn te doen”, ziet de andere partij de gekwetstheid van moslims juist als het bewijs dat die pijn helemaal niet „onnodig” is, maar juist noodzakelijk. De eerste partij ziet moslims als slachtoffer van de vrijheid van meningsuiting, de andere partij ziet je juist als een bedreiging van diezelfde vrijheid. Dat de meeste moslims in discussies als deze inmiddels murw of schouderophalend aan de zijlijn blijven staan, lijkt er niet toe te doen. Het gaat inmiddels om principes, de wortels van onze rechtstaat – enzovoort. Tekeningen als die van Nekschot zijn geen uitingen van haat, ze zijn juist opvoedkundig bedoeld.

Het gaat in al die kwesties niet om meningen, het gaat om gevoeligheden. Veel van wat hier als debat moet doorgaan, is er enkel op gericht de ander af te straffen vanwege zijn onverdraaglijke gevoeligheden – steeds maar herhalen dat de Profeet eigenlijk een pedofiel is omdat hij het in zeshonderdzoveel met een jong meisje aanlegde, is niet het uiten van een mening; men kan eenvoudig niet verdragen dat anderen zo iemand aanbidden. Het gaat nu tussen mensen die vinden dat in de openbare ruimte geen ruimte is voor particuliere gevoeligheden, en mensen die assertief opkomen voor hun gevoeligheden, zoals hun afkeer van een stel blote tieten in de openbare ruimte of, zoals nu in Dordrecht, kunstzinnige verzen op een viaduct die teveel aan de Heilige Schrift doen denken. Iedereen vindt dat de ander misbruik van zijn vrijheid maakt, iedereen vindt dat de ander best een toontje lager kan zingen – in het algemeen belang.

Het strijdperk is niet het publieke debat, waarin dingen niet langer gezegd zouden mogen worden. Het strijdperk is de publieke ruimte, waarin vrijheid met vrijheid botst.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/heijne (Bijdragen worden openbaar na beoordeling door de redactie.)