Geen eerwraak

In haar artikel `Getrouwd, gescheiden, vermoord` (Z&cetera, 24-5) wil schrijfster Renate van de Zee met alle macht bewijzen dat hier sprake zou zijn van eerwraak, waarbij zij de schuldvraag ook nog neerlegt bij de politie en justitie die niet adequaat zouden hebben gereageerd op de verschillende signalen. In dit artikel over het familiedrama wordt alleen de familie van de vermoorde vrouw aan het woord gelaten, waarbij de journaliste zich nogal nadrukkelijk laat leiden door het relaas en de interpretatie van de moeder van Zeynep. De familie van haar neef en echtgenoot, die na zijn fatale daad zelfmoord heeft gepleegd, komt niet aan het woord.

In dit geval is geen sprake van eerwraak (een zogenaamd namus-delict), waarbij de seksuele eer van de familie zou zijn geschonden. De moord is gepleegd door een jaloerse, laagopgeleide Turks-Koerdische echtgenoot die het niet kon verkroppen dat zijn vrouw van hem scheidde. De gekwetste `mannelijke trots`, zijn persoonlijke eer , speelde in deze zaak een belangrijke rol. De man heeft bovendien niet kunnen voldoen aan de druk van de familie om het huwelijk te repareren. Toen hij dit besefte en realiteit werd door de uitgesproken echtscheiding, is hij tot zijn wanhoopsdaad gekomen. In het geval van echte eerwraak zou de dader nooit zelfmoord hebben gepleegd. Inderdaad, hier is sprake van een `crime passionnel` in een Turks-Nederlandse context, zo laat het zich aanzien vanaf de zijlijn.

De schuldvraag ligt niet zozeer bij de politie of bij justitie, maar eerder bij de betrokken familie(s). De ouders van Zeynep hebben toestemming gegeven voor een huwelijk van hun dochter met een neef, waarvan zij vooraf wisten dat hij beschikte over `een agressieve natuur` en was opgegroeid in een achtergebleven boerenmilieu. Ze konden dus inschatten dat een huwelijk met hun hoogopgeleide en gemoderniseerde dochter geen grote kans van slagen zou hebben. Kennelijk is Zeynep uiteindelijk gezwicht voor de druk van de familie. Wie een blik werpt op de bijgaande bruidsfoto kan constateren dat de bruid op haar huwelijksdag niet bepaald straalt van geluk. Was hier toch sprake van een `opgedrongen huwelijk`? Speelden eventuele financiële motieven bij deze beslissing ook een rol? Wat hebben familieleden gedaan met signalen die erop wezen dat het huwelijk ontspoorde? Hierover blijft de lezer in het ongewisse.

Het verslag biedt niet alleen een nogal gekleurde blik op een groot familiedrama, maar er is ook sprake van eenzijdige journalistiek. Over het hoofd van de bedroefde families worden politionele hulpverleners en andere justiabelen in het beklaagdenbankje gezet. Meer in het algemeen draagt dit soort journalistiek niet bij tot een beter begrip en verklaring van ernstig aan eer gerelateerd geweld.