Column

Excellentie

Vaak word ik getipt. Zomaar op straat of per mail. Een lezer meldt een misstand of verbazing. Meestal doe ik er niks mee. Soms wel. Vooral als het grappig is. Zoals nu. Dit verhaal hoorde ik van een vriend. Het is eigenlijk geen verhaal, louter een mededeling. Komt-ie: Als André Rouvoet, onze minister voor Jeugd en Gezin, ergens officieel naar toe gaat, belt zijn secretariaat vooraf met het te bezoeken project met de mededeling dat de minister graag met ‘excellentie’ wordt aangesproken.

Grappig? Onbedaarlijk grappig. Is het waar? Het is 100 procent waar. Ik heb dit kroegpraatje voor u even gecheckt bij een door het secretariaat van de minister gebelde instantie en degene die dit telefoontje kreeg heeft het mij hoogstpersoonlijk bevestigd. Ik vroeg wat hij deed toen hij het hoorde. Ademloos in de hoorn staren, was zijn overduidelijke antwoord. Ik vind het van een grote schoonheid. Ontroerend en aandoenlijk. Zeer aandoenlijk zelfs.
Waarom zal André dit willen? Ik denk dat het te maken heeft met zijn streng christelijke geloof. Waarschijnlijk ziet hij het ministersbaantje niet als gewoon werk, laat staan als een tijdelijke aardse schnabbel, maar als een geschenk van hogerhand. Een cadeautje van God zelf. Het land moet bestuurd en de Here heeft hem daarvoor uitverkoren. En een minister is natuurlijk meer dan een doordeweekse meneer. Veel meer zelfs. Een minister is een heuse excellentie. Zoals je de koningin geen Trix, maar Koninklijke Hoogheid noemt. Zoiets. In elk geval wil André met excellentie worden aangesproken. Ik vind dat zo verschrikkelijk lief. Wat een schat van een jongen.
Hoe zal hij dit aan zijn ambtenaren verteld hebben? Schriftelijk? Moet wel. Dit krijg je namelijk niet zonder proesten je bek uit. En het besmuikte hoongelach van de ontvangers van deze middeleeuwse mededeling wil je ook niet meemaken. Dus zet je het op papier.
Hoe reageerden zijn ambtenaren? Ik ga ervan uit dat ze bij het lezen van dit bericht in eerste instantie hebben gedacht: Goede grap. Niet verwacht van die gereformeerde. Onze christenbroeders staan nou eenmaal niet bekend om hun dijenkletsers. Het boekje Lachen met Knevel telt weinig bladzijden. Maar toen bleek het dus geen scherts, maar pure ernst. Rouvoet meende het en belangrijker: het moest door zijn secretariaat van tevoren bekend worden gemaakt. Al gauw hing er een vrolijke sfeer onder de ambtenaren. Sinds het belletje van Bomhoff hadden ze eigenlijk niet meer zo gelachen in Den Haag. Excellentie! Wat een grap. Zelfs Luns werd niet meer zo aangesproken. Sterker nog: Pieter Cort van der Linden vond het een eeuw geleden al grote onzin.
Maar nu kwam de vraag: wie van het secretariaat gaat dit absurde klusje klaren? Mag je dit werk weigeren? Want je staat toch aardig voor aap als je iemand moet bellen met de tekst dat de minister graag excellentie wordt genoemd.
De andere kant zal al gauw denken dat hij in de maling genomen wordt door een of ander studentikoos radioprogramma. Hoe vaak wordt er onmiddellijk opgehangen? Dit kan niet serieus zijn. Hallo, het is 2008!
Hoe zal het bij André thuis gaan? Zeggen de kinderen nog papa? En wat zegt mevrouw Rouvoet tegen haar man? Is het anders vrijen met een excellentie? Heeft André nog dezelfde pyjama’s? Of vindt hij dat een excellentie niet kan tukken in een streepje van de Zeeman? Hoe reageert de dominee? Zijn Gods kinderen in zijn ogen allen gelijk of is de excellentie toch iets meer? Mag hij een paar banken dichter bij de kansel? Hoe gaat het in zijn woonplaats Woerden? Schrijdt hij op zaterdag wuivend door het centrum? Schudt hij handen in de C1000? Wat vraagt de slager? „Wil de excellentie misschien een plakje worst?”
En nou maar hopen dat hij blijft. Dat dat gedoe over het borstkankergen in embryo’s geen opbreekpunt van deze coalitie wordt. Ik denk het niet. Ik vrees dat hij wel een paar principes opzij wil zetten. Want dan zou hij geen excellentie meer zijn. Hij moet er niet aan denken.
Youp van ’t Hek