Een ruit of toch in een kommetje

Tactiek wordt een steeds belangrijker wapen in het voetbal. Maar het moet geen harnas worden, vindt coach Foppe de Haan van Jong Oranje. Tijdens het EK is hij columnist van deze krant.

Erik Oudshoorn

Tactiek is roeien met de riemen die je hebt, legt Foppe de Haan uit. De Friese coach van het olympisch elftal wijst op het belang van een goed concept. „Maar als tactiek een keurslijf wordt kan het ook een belemmering zijn voor een voetballer”, legt hij uit. „Tactiek hoort te passen als een jas. Een voetballer dient zich lekker te voelen op de positie die hij inneemt en de taak die hij krijgt moet hem liggen Dán kan tactiek een wapen zijn. Als zij een harnas wordt, kan dat zelfs in je nadeel werken.”

Foppe de Haan zou het moeten weten. Hij won twee keer achtereen het Europees kampioenschap met Jong Oranje. De Haan gaf les op het CIOS (opleiding voor sportleiders) en verzorgde cursussen bij de KNVB. Hij was bijna twintig jaar hoofdtrainer van SC Heerenveen en loodste die club naar de Champions League. De Haan, die in augustus met het olympisch elftal deelneemt aan de Spelen in China, zal tijdens het EK weer een column verzorgen voor NRC Handelsblad.

Tactiek mag volgens De Haan niet zo ingewikkeld zijn, dat je door de bomen het bos niet meer ziet. „Als je het spel van een ploeg vanaf de tribune bekijkt, moet je kunnen zeggen: verrek, wat is het simpel!”

Met Jong Oranje baarde De Haan vorig jaar opzien op het EK onder 21 jaar door af te wijken van het 4-3-3-systeem. Hij bedacht voor de latere kampioen een 4-4-2-concept. Hij week af van de Hollandse school, maar had er succes mee. Collega Marco van Basten ging daarna ook om en wijzigde de strategie van het grote Oranje eveneens enkele keren. De Haan: „Wij hadden moeite met de opbouw en hanteerden van achter uit veel te veel de lange bal. Ik liet Maceo Rigters als diepste spits spelen en Ryan Babel erom heen. Ik denk nog steeds dat Babel in zijn loopbaan uiteindelijk op deze positie zal uitkomen. Centraal komt hij meer tot zijn recht dan op de vleugel. In de as voelt hij zich als een vis in het water, net als Ruud Gullit die op het EK in 1988 in het kielzog van Marco van Basten opereerde. Royston Drenthe kon de hele linkerflank bestrijken en Daniël de Ridder stond op rechts wat dieper. Otman Bakkal was met zijn loopvermogen op het middenveld de verbindingsman en Hedwiges Maduro de controleur.”

Dient een bondscoach spelers te zoeken bij zijn spelconcept, of juist de speelwijze aan te passen aan het beschikbare materiaal? De Haan: „Dat is altijd het verhaal van de kip en het ei. Ik heb de neiging om te zeggen: je hebt een uitgangspunt en kies daar dan de voetballers bij. Het gaat natuurlijk om het beste rendement. Ik volg liever mijn eigen filosofie: kies bepaalde spelers en wie je er dan omheen zet is wel van belang, maar niet urgent.”

In het hedendaagse topvoetbal is het schakelmoment (van aanvallen naar verdedigen en andersom) volgens De Haan van „wereldbelang” geworden. „Maak de ruimtes klein, verover dan de bal en boem! Op dat moment staat de tegenstander vaak niet goed te verdedigen en daarvan kun je profiteren. Andersom geldt dat ook voor jouw partij. Je verliest de bal en dan moet je direct druk zetten. Voetballers worden steeds betere atleten. Dat zie je met name in Engeland. De technische vaardigheid en de fysieke coördinatie is daar van een hoog niveau. Maar goed, we praten ook over een verzameling van de beste voetballers van de wereld. Bij Zenit St. Petersburg van Dick Advocaat zie ik eveneens veel loopvermogen en goede spelers die bereid zijn arbeid te stoppen in het benutten van de ruimtes.”

De landen van de EK-poule waarin Nederland uitkomt hebben voor De Haan, mede door hun reputatie, geen geheimen. „De Fransen moet je bij de oren pakken met heel agressief spel. Als je die onder druk zet, zijn ze kwetsbaar. De Italianen zijn voor mij weer de favoriet voor de titel. Ze speelden op het wereldkampioenschap in Duitsland wat aanvallender dan ze gewend zijn. Roemenië vind ik een gevaarlijke outsider. Het is een fysiek sterk collectief dat niet bang is het scheermes te hanteren. Typisch zo’n land waarbij alles mag. Daarbij hebben ze in Adrian Mutu een vrije trappenspecialist die een wedstrijd kan doen kantelen.”