Een kettingroker in de dug-out

In Oostenrijk is Ernst Happel bijna zestien jaar na zijn dood nog lang niet vergeten. De oud-international en voormalige toptrainer hielp Feyenoord aan de Europa Cup en de wereldbeker. Vrienden, familie en oud-spelers halen herinneren op aan deze ondoorgrondelijke legende.

Jaap Bloembergen

Borstelige wenkbrauwen, achterovergekamd haar en een gordijn van sigarettenrook. Ernst Happel junior lijkt zó veel op Ernst Happel senior, dat de zoon van de in 1992 overleden vader tijdens ons bezoek regelmatig wordt nagestaard in het centrum van Wenen. „Mijn vader was mijn beste vriend, dus heb ik het maar te accepteren”, vertelt de 53-jarige zakenman met Haagse tongval terwijl hij zijn Jaguar behoedzaam langs de Donau manoeuvreert. Over zijn nicotineverslaving: „Ik rook twee pakjes per dag, mijn vader rookte drie pakjes. Ieder bezoek uit België of Nederland moest voor hem sloffen van Belga meenemen. Anders kwam je er bij hem niet in.”

Begin 1991 kreeg de oude kettingroker kanker, eind 1992 stierf hij bijna in het harnas. Beelden van de sterk vermagerde Ernst Happel in de dug-out van het Oostenrijkse elftal staan menigeen nog haarscherp voor ogen. Didi Constantini was destijds assistent-bondscoach en koesterde in hem een vaderfiguur. De huidige trainer van Austria Wien vertelt in het stadion van zijn club over hun laatste ontmoeting. „Een week voor zijn dood speelden we in de vrieskou thuis tegen Israël. Hij droeg twee dikke jassen en zat te rillen. Ik heb mijn jas over zijn smalle schouders gehangen en kreeg een knipoog terug. Voetbal was zijn leven.” De bondskanselier destijds op de tv: „Hij heeft Oostenrijk de kracht gegeven die hij zelf helaas niet meer had.”

Ernst Happel was een topspeler: zeven landstitels, 51 interlands en twee WK’s. En hij was een toptrainer: drie Europa-Cupfinales, wereldbeker en vicewereldkampioen. Daarom werd het Prater Stadion na zijn dood omgedoopt in het Ernst Happel Stadion. Als verdediger van Rapid Wien en het nationale elftal vocht hij met de Hongaar Ferenc Puskás en de Spanjaard Alfredo Di Stefano heroïsche duels uit. Hij was een vedette op het WK in 1954, toen Oostenrijk in de halve finales werd uitgeschakeld door de latere winnaar West-Duitsland. Verkeerde schoenen – want geen lange noppen op een zompig veld – van Puma in plaats van Adidas zouden in de finale ook de Hongaren parten spelen. Happel kreeg ruzie met zijn coach en leek er in de met 6-1 verloren halve finale met de pet naar te gooien. Verhalen over omkoping zijn nooit bewezen.

Walter Skocik speelde mét en trainde onder Happel. De middenvelder van Rapid Wien is nog steeds lyrisch over diens voetbalkwaliteiten, grijnst hij op een terras in een buitenwijk van Wenen. Skocik: „Happel kon alles: koppen, bal afpakken, links trappen, rechts trappen, slim op buitenspel spelen. Ja, hij was beter dan de Engelsman Billy Wright. Hij leek met zijn elegante stijl op Beckenbauer.” Over de oud-trainer Happel zegt de oud-trainer Skocik: „Als jonge trainer was hij nog menselijk, zo kocht hij kinderwagens voor de spelersvrouwen. Nicht links, nicht rechts, immer menslich bleiben. Later is hij harder geworden.”

Alfred Körner voetbalde in de jaren dertig, veertig en vijftig met Happel samen bij Rapid Wien: een van de beste clubs ter wereld in die periode. In een Weens wijnhuis vertelt de 82-jarige Körner over zijn jeugdvriend. Bij elke anekdote slaan de andere stamgasten, oud-spelers van Rapid of stadgenoot Austria, met hun knokige vuisten op tafel. Met Happel, die zelden lachend op foto’s staat, kon je nog eens lol hebben. Körner: „We waren eens op trainingskamp in Uruguay, waar Ernst weigerde een dure taxirit te betalen. Toen heeft hij in Montevideo een nacht in de cel moeten slapen. En in Bogotá moest hij na een ruzie van het veld onder politiebegeleiding. Om ’s avonds na de wedstrijd met die Colombianen met zijn bekende pokerface doodleuk een kaartje te leggen.”

In Oostenrijk kwam Happel ook regelmatig in aanraking met de politie. Zo werd hij eens aangehouden na een knokpartij met een psychiatrische patiënt die zijn auto had vernield. De kranten stonden er vol van, zegt zijn zoon die als passagier op de achterbank zat. Na de Anschluss met Duitsland in 1938 weigerde Happel een lied van de Hitlerjugend te zingen, weet Körner zich te herinneren. „Hij kreeg toen geen stempel en mocht een poosje niet voetballen.” Tijdens de oorlog werkte Happel in de telecommunicatie. Aan het eind van de oorlog is hij als Russische krijgsgevangene gevlucht uit het oosten van Duitsland en liftend teruggekeerd naar Wenen. Körner: „Toen pakten we de draad op en kon het voetbal weer beginnen. Nee, met politiek hielden we ons niet bezig.”

Alfred Körner heeft zijn hele werkzame leven kantoor gehouden, Ernst Happel werd trainer na zijn actieve loopbaan. Hij kon rücksichtslos zijn, weten ook zijn kaartvrienden in café Ritter. Bij Rapid verwijderde hij spelers uit de selectie met wie hij nog had samengespeeld. Het doel heiligde de middelen. Zijn erelijst als coach: achttien (inter)nationale titels. Vrienden, familie en andere bekenden komen tijdens onze rondgang – onafhankelijk van elkaar – tot hetzelfde lijstje trainerseigenschappen. Hij stond voor discipline, fysieke fitheid, tactische vondsten en forechecking. Dit zogenaamde ‘vooruitverdedigen’ had hij in zijn ADO-periode van de ijshockeyers van HIJS Hockey afgekeken, vertelt zijn zoon die in de jaren zestig altijd meeging naar de Haagse schaatshal.

Overal had zijn vader succes, behalve bij Sevilla. Zoals hij als speler alleen bij Racing Paris niet kon aarden. „Parijs is geen stad voor topsporters”, zo verklaarde het uitgaanstype zijn tegenvallende prestaties in de Franse hoofdstad. Als coach van Sevilla had hij, een paar decennia later, meer last van een taalprobleem. Hij sprak en verstond geen Spaans, zegt zijn zoon ter verklaring van de vroegtijdige afgang. „Hij haalde bij Sevilla de namen van spelers door elkaar, sommige wissels pakten dus verkeerd uit.”

Het Nederlands van senior was doorspekt met Duits, de kreet ‘Kein Geloel’ werd een begrip. In Den Haag leerde hij met zijn zoon de uitdrukking ‘Ik ben gekke Henkie niet’. Hij zou het zijn hele leven blijven zeggen. Happel leidde ADO naar de nationale top, inclusief bekerzege op Ajax. Junior: „Ik was bij elke training present. Als ze mijn kop raakten werd mijn vader kwaad. Hij was te ambitieus voor de amateuristische spelers. Toen ze niet in de stromende regen wilden trainen, legde hij een flesje op de lat en schoot dat er van dertig meter af. ‘Iedereen die me nadoet, mag naar huis’, zei hij. Niemand die het durfde. En getraind dat ze hebben!”

Daarna volgde Feyenoord, de club waar zijn zoon nog steeds eregast is. Ze wonnen de Europa Cup en de wereldbeker. Franz Hasil was de enige Oostenrijker in het Rotterdamse kampioenselftal van 1970. Zijn sigarenzaak in Wenen, tijdens ons bezoek ‘wegens omstandigheden tijdelijk gesloten’, is een bedevaartsoord voor de verstokte Feyenoordfan. Hasil wil niet praten over zijn winkelsluiting, wel over voetbal, in een mengelmoesje van Duits en Nederlands. „Ik speelde bij Schalke toen Happel langs kwam met de vraag of ik zijn ploeg wilde versterken. Voor het geld had ik beter in Duitsland kunnen blijven, maar als Happel op de stoep staat kun je niet weigeren.”

Met Wim Jansen en Willem van Hanegem vormde hij een ijzersterk, want veelzijdig én complementair middenveld. „Ik was een kanon met inzicht”, zegt de tacticus met het harde schot in een Weense Konditorei. Na de eerste training bij de Kuip wilde Hasil „kruipend terug” naar Gelsenkirchen. „Ik was zo dom Laseroms (‘Theo de Tank’, red.) tussen de benen te spelen. Die heeft me toen een elleboogstoot gegeven en een gebroken neus bezorgd. Toen ik mijn beklag deed, zei Happel dat ik niet moest zeuren. Hij had de jongens geïnstrueerd mij te ontgroenen.” Met een flauwe glimlach fluistert Hasil: „Ik moest bij Feyenoord opnieuw leren voetballen.”

Toen de frequente casinobezoeker Hasil naar Feyenoord kwam, wilde Happel zijn landgenoot letterlijk in de gaten houden. En dus vroeg hij de clubleiding een woning in dezelfde straat in de Rotterdamse woonwijk Lombardije uit te zoeken. Happel junior herinnert zich een klassieke botsing. „Mijn vader zat de avond voor een duel tegen Ajax thuis op de bank in zijn badjas en pantoffels op de sofa. Hij vertrouwde Franz niet en belde naar de overkant. Frau Hasil nam op en zei dat Franz al lag te slapen. ‘Geef hem maar even, het is heel belangrijk’, zei mijn vader. ‘Ik kan hem toch niet wakker maken’, antwoordde zij. Mijn vader vertrouwde het niet, kleedde zich aan, liep naar de overkant van de straat en belde aan. Toen bleek der Franz natuurlijk helemaal niet thuis te zijn.”

Hasil toont een aantekeningenboekje met trainingsschema’s dat hij op het sterfbed van zijn toenmalige trainer heeft gekregen. De handgeschreven schetsen uit het seizoen ’70-’71 zien er nog puntgaaf uit. Hasil: „Feyenoord wil ze kopen voor in het museum, maar ik heb Happel beloofd ze nooit weg te geven. Nu zit ik in dubio, want die belofte deed ik toen het museum er nog niet was.”

Na Feyenoord verhuisde Happel met zijn zoon – zijn vrouw ging terug naar Wenen – naar Club Brugge. Deze provincieclub leidde hij naar een (verloren) Europa-Cupfinale. Ook in Brugge droeg hij zijn onafscheidelijke bontjas – naar verluidt van een Siberische wolf. Volgens zijn zoon beleefde hij daar de mooiste tijd van zijn buitenlandse voetballeven. Hij hield van de bourgondische sfeer. In 1983 flikte hij het wel weer. Hij won met Hamburger SV de Europa Cup 1. Toenmalig HSV-manager en oud-topspeler Günther Netzer noemde hem „de beste trainer aller tijden”.

In de tussentijd was Happel in 1978 als supervisor van het Nederlands elftal vicewereldkampioen geworden. Toen gastland Argentinië in de heksenketel van Buenos Aires vlak voor aanvang van de finale protest aantekende tegen een gipsen manchet van René van de Kerkhof, reageerde de stoïcijn Happel op de hem bekende wijze. „Sag dem Joker dass ich drei Stunden brauche um die Mannschaft taktisch zu ändern”, liet hij aanvoerder Ruud Krol naar verluidt tegen de arbiter zeggen. René van de Kerkhof mocht spelen. Vlak voor tijd, bij een 1-1 stand, schoot Rob Rensenbrink tegen de paal. ‘Slangenmens’ weet waarom Oranje in 1974 steeds vermoeider en in 1978 juist steeds fitter oogde. „Michels beulde ons af, Happel was heel relaxed”, zegt Rensenbrink.

Happel stond in Argentinië boven de ‘onthoofde’ bondscoach Jan Zwartkruis, die in een recente biografie refereert aan het gerucht dat hij de regie had overgenomen na de zwakke eerste groepsronde. Happel junior gelooft er niets van: „Zwartkruis kon zijn denkwijze helemaal niet volgen. De ouwe dacht altijd een paar stappen vooruit.”

Ernst Happel senior herkende zich, qua karakter en spelinzicht, in Willem van Hanegem. Zijn zoon: „Die twee hadden een haat-liefde-verhouding. Mijn vader heeft ‘De Kromme’ voor het WK’78 uit liefde thuisgelaten. Hij kon hem geen shirt beloven en wilde hem behoeden voor een afgang.” Toch was Van Hanegem was 14 november 1992 op de begrafenis, met de halve voetbalwereld. Happel junior: „Willem stond te huilen als een jonge hond.”