Donner bedoelt het goed met de Wajong, maar komt met de verkeerde oplossing

Voor jongeren met een handicap die kunnen en willen werken, moeten veel meer arbeidsplaatsen gecreëerd worden, en betere mogelijkheden om door te stromen. Dat is een beschaafde samenleving aan zichzelf verplicht.

Frans Nijhuis

Bijzonder hoogleraar psychologie van arbeid en gezondheid aan de Universiteit Maastricht en adviserend lid van de werkgroep Wajong van de SER.

Minister Donner heeft aan de wieg gestaan van de succesvolle aanpak van de WAO. Statistisch is het probleem van de WAO in enkele jaren van de tafel verdwenen. Het lijkt er op dat minister Donner op dezelfde manier de Wajong-problematiek wil oplossen. Maar de bron van de problemen is bij de WAO anders dan bij de Wajong. De oplossing kan dus niet hetzelfde zijn.

Een van de redenen dat de aanpak van de WAO succes had, was dat de ‘winstpositie’ die de WAO had voor werkgever en werknemer, is doorbroken. Beiden hadden belang bij de toeleiding ernaar. Zo nam het aantal arbeidsongeschikten toe. Bij de Wajong is het probleem dat de samenleving niet in staat is voldoende arbeidsmogelijkheden voor jongeren met een functiebeperking te creëren. De maatschappij is in de afgelopen dertig jaar op zo’n manier georganiseerd dat er weinig plaats meer is voor jongeren met een functionele beperking. Bij de oplossing van de WAO-problematiek stonden werkgevers en werknemers centraal.

Vanuit datzelfde perspectief zou verwacht mogen worden dat bij de oplossing van de Wajong-problematiek de wijze waarop arbeid in onze samenleving vorm heeft gekregen centraal zou staan. Niets is minder waar. De jongere met een handicap vormt ten onrechte het doelwit van de voorgestelde veranderingen.

Donner wil hun deelname aan de arbeidsmarkt vergroten. Dat is in overeenstemming met internationale verdragen die ook Nederland de afgelopen jaren heeft ondertekend. Deze verdragen hebben als uitgangspunt dat de samenleving zo georganiseerd moet zijn dat mensen met beperkingen, dus ook de jongere met een beperking, in staat moeten zijn om hun arbeidsmogelijkheden optimaal te benutten. Dit internationaal gedragen uitgangspunt wordt ook door minister Donner gehanteerd.

Feitelijk zegt hij daarmee dat een recht op arbeid gecreëerd moet worden voor jongeren met een functionele beperking. Er gaapt echter een geweldig gat tussen de goede uitgangspunten van Donner en zijn niet-adequate oplossingen.

De analyse

Een goede analyse van de Wajong problematiek laat zien waarop het beleid zich moet richten om succesvol te kunnen zijn.

Dan moet gekeken worden naar:

De groei: is deze écht zo groot dat we in paniek moeten raken?

Er is geen sprake van dé jongere met een functiebeperking, het gaat om een gemêleerde populatie.

Wie zit in de Wajong en met welke aandoening, met andere woorden: komt iedereen zomaar in de Wajong terecht?

Wat is het arbeidspotentieel van diegenen die in de Wajong zitten?

Het toeleidingstraject: de rol van de opleidingen.

De motivatie van de jonggehandicapte: wordt de uitkering geprefereerd boven werk?

Het werk als fuik voor de jongere met een functionele beperking.

Groei van de Wajong zal afvlakken.

Bij ongewijzigd beleid zal het aantal mensen dat aangewezen is op een Wajong-uitkering, in 2040 naar schatting een half miljoen bedragen. Is dit schrikbeeld terecht en is er reden om te veronderstellen dat ten onrechte aanspraak gedaan wordt op deze voorziening?

Een van de belangrijkste redenen voor de toeloop is dat de Wajong een fuik is. Je komt er op je achttiende in en slechts een beperkt deel van de jongeren met functiebeperkingen slaagt erin te ontsnappen richting baan. Jongeren tellen dan vervolgens 47 jaar mee in de omvang van de Wajong. Het gebrek aan uitstroom is het grootste probleem, niet de instroom.

Met betrekking tot de instroom zijn het vooral scholen die verantwoordelijk zijn voor de groei van de Wajong. Daarnaast blijkt de gestegen instroom in de afgelopen jaren in belangrijke mate beïnvloed te worden door de overheveling van mensen uit de bijstand naar de Wajong. Voor gemeenten levert het namelijk geld op om waar mogelijk mensen uit de bijstand naar de Wajong over te hevelen. De oudste nieuwe ‘wajongere’ in de afgelopen jaren was dan ook ruim boven de zestig. Nu de opschoning van de bijstand door gemeenten in de laatste fase begint te komen zal deze groei vanuit de bijstand snel verdwijnen. Vandaar dat de explosieve groei van de Wajong zal afvlakken.

Het gaat om een zeer gemêleerde groep

In de Wajong zitten jongeren die academisch gevormd zijn, maar ook jongeren met ernstige verstandelijke beperkingen, jongeren met fysieke klachten, maar ook jongeren met een ernstig psychiatrische achtergrond.

Wil de minister hen aan het werk krijgen, dan moet gekeken worden naar de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de desbetreffende jongere.

Het gaat om ernstige aandoeningen

Aan de borreltafel weet iedereen dat een jongere met gedragsproblemen zomaar een uitkering kan krijgen. Niets is minder waar, gedragsproblemen alléén leveren slechts een beperkte bijdrage aan de groei van de Wajong. Van de nieuwe instroom in de Wajong krijgt 4 procent de diagnose ADHD, van hen heeft meer dan de helft nog een tweede diagnose, zoals een verstandelijke beperking. Ook jongeren met een stoornis in het autistisch spectrum maken maar een bescheiden deel uit van de nieuwe Wajongers (10 procent) en ook hier geldt dat bij de meerderheid een tweede diagnose gesteld is. In de Wajong komen blijkt pas mogelijk als sprake is van een ernstige beperking die de mogelijkheid voor de jongere om via een baan geld te verdienen sterk negatief beïnvloedt. Een andere indicator voor de ernst van de beperkingen is het arbeidspotentieel van jongeren met een functionele beperking.

Het arbeidspotentieel van mensen in de Wajong is beperkt

Fors ingrijpen in de Wajong is terecht als er veel voordeel valt te halen. Maar dat valt tegen. Een belangrijk deel van de jongeren met een functiebeperking (geschat op 40 procent) zal, gelet op de ernst van de aandoening, waarschijnlijk nooit kans maken op betaald werk. Op dit moment verricht ruim een kwart betaald werk, waarvan tweederde in een sociale werkvoorziening. Eén op de vijf Wajongere zit in een reïntegratietraject of volgt nog een opleiding, waardoor zij niet op de arbeidsmarkt terecht kunnen. Blijft over tussen de 10 en 15 procent die geactiveerd kunnen en moeten worden om aan de (betaalde) slag te gaan.

Het bovenstaande betekent niet dat we er niet álles aan moeten doen om deze jongeren maatschappelijk te laten participeren en waar mogelijk ook aan een baan moeten helpen.

Al op school ontstaan problemen

Het merendeel van de nieuwe instromers in de Wajong komt direct van school. Blijkbaar is ons onderwijsstelsel niet in staat om jongeren met een functionele beperking voldoende beroepsmatig te kwalificeren voor betaald werk. Een groot aantal onderzoeken laat zien dat juist tijdens de opleidingen al problemen ontstaan richting werk die onvoldoende opgelost worden. Voorbeelden daarvan zijn een foute beroepskeuze, onvoldoende stagemogelijkheden en een verkeerde leerweg. Een oplossing van de Wajong kan dan ook nooit gevonden worden zonder de opleiding daarbij te betrekken. Elke aanpak van de problematiek moet dan ook gedragen worden door de inzet van meerdere ministeries en niet, zoals nu, uitsluitend vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Meeste Wajongers zijn heel gemotiveerd

Minister Donner heeft herhaaldelijk aangegeven dat de jongere met een functiebeperking door de Wajong ontmoedigd wordt om te werken. Daarvoor bestaan echter geen aanwijzingen. Ze zijn heel wel gemotiveerd. Voor niemand, ook niet voor een jongere met een functiebeperking, is het een vrolijk vooruitzicht om tot aan de AOW, minimaal 47 jaar, te mogen ‘genieten’ van een uitkering op 75 procent van het minimumloon. Een uitkering die een zelfstandige economische positie in de maatschappij nooit mogelijk zal maken.

Carrière maken is moeilijk

Naast het probleem dat jongeren met een functionele beperking geen werk kunnen vinden op de arbeidsmarkt, geldt dat een normale arbeidscarrière voor veel van die jongeren uitgesloten is. Normale mobiliteit is bijna onmogelijk omdat ze bij sollicitaties in een achterstandssituatie gedrukt worden. De nieuwe werkgever zal aanpassingen in het werk of in het werkproces moeten realiseren en geconfronteerd worden met de vraag welk risico het aannemen van een jongere met een functiebeperking met zich meebrengt.

Het probleem van werken met een functiebeperking is niet alleen een probleem van aanname bij de eerste baan, maar ook van beperkingen in de mobiliteit.

De oplossing

Bij het vinden van een oplossing voor de problematiek moeten we ons niet laten leiden door gebrekkige analyses van het probleem en het spook van de getallen, maar door een oplossing die een moderne maatschappij waardig is en die recht doet aan de wens tot participatie van jongeren met een beperking.

Elk voorstel met betrekking tot de Wajong zal primair gericht moet zijn op het vergroten van de beroepsvaardigheden en arbeidsmogelijkheden van de jongere met functiebeperkingen en tegelijkertijd door het creëren van voldoende arbeidsplaatsen.

Een belangrijk probleem daarbij is dat veel van deze jongeren aangewezen zijn op een baan aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Op arbeidsplekken dus die in Nederland in de afgelopen jaren in belangrijke mate verdwenen zijn. Het probleem is niet de niet-gemotiveerde jongeren, maar het onvermogen van de maatschappij om hen een baan aan te bieden.

Het beleid moet dus gericht zijn op het scheppen van kansen en niet op het straffen van jongeren met een functiebeperking omdat zij er niet in slagen een plek op de arbeidsmarkt te vinden. Zo wordt het slachtoffer bestraft omdat de maatschappij niet in staat is om passende werkgelegenheid te creëren.

Het scheppen van arbeidsplaatsen kan natuurlijk niet zonder goede ondersteuning. Zowel de werkgever als de jongere moeten ondersteund worden in de arbeidsrelatie die zij aan gaan. Dat kan via loonkostensubsidie, begeleiding, en job coaching om aldus de risico’s bij werkgevers zoveel mogelijk weg te halen. Geen werkgever zit er op te wachten om naast zijn werk ook nog de begeleiding van een jongere met functiebeperkingen op zich te nemen. Dit alles heeft alleen zin als er daadwerkelijk voldoende functies gecreëerd of vrijgemaakt worden voor jongeren met functiebeperkingen.

Dit laatste blijft een opdracht die een beschaafde samenleving vanzelfsprekend zou moeten vervullen.