De oudste gravenportretten

De oudste portrettenreeks van de Hollandse graven is te vinden in een vijftiende eeuws handschrift van Hendrik van Heessel. Hendrik Spiering

Onder middeleeuwse historici draaien publiciteitsmolens langzaam. Al in 1990 merkte Wim van Anrooij, hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek in Leiden op dat in een vrij onbekend handschrift nr B. 89.420 in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen een complete reeks Hollandse gravenportretten te vinden was. Vierentwintig stuks, van Dirk I (ca 920) tot Jacoba van Beieren (afgetreden in 1428). En misschien was die reeks wel ouder dan de befaamde gravenportrettenreeks op houten panelen in het Haarlemse stadhuis, rond 1490 gemaakt in een plaatselijk klooster, en al in veel boeken vereeuwigd. In 1996 wist Van Anrooij dat zeker. Want nadere bestudering van het handschrift wees uit dat de portretten er in de zomer van 1456 aan waren toegevoegd. Verder bleef het stil rond B 89.420. Slechts één “heel klein zwart-wit fotootje van één portret” werd gepubliceerd, vertelt Van Anrooij, als voorbeeld van de oudere afbeeldingstraditie in Holland in een boekje over die Haarlemse portretten.

Pas nu zoekt Van Anrooij contact met de krant, en pas nu worden op deze pagina de eerste portretten uit de reeks echt en in kleur gepubliceerd. Waarom zo lang gewacht met de oudst bekende portretten van de roemruchte Hollandse graven? Mediëvisten hebben nooit haast, geeft Van Anrooij toe, zelf een deskundige op het gebied van de Middelnederlandse ridderschapsliteratuur. “Maar het is ook zo dat we nu pas weten wie de maker was van het boek: de Gelderse Hendrik van Heessel.” Het manuscript was het ‘werkboek’ van deze heraut, waarin hij allerlei manuscripten over wapenschilden, adelsgeschiedenis en andere nuttige informatie verzamelde, zo stelde Van Anrooij in de afgelopen jaren vast. De wetenschappelijke belangstelling voor de rol van de herauten in de late Middeleeuwen neemt de laatste jaren sterk toe, vertelt hij. Volgend jaar publiceert Van Anrooij een groot overzichtsartikel over de rol van de Wapenkoning van de Ruwieren, de officiële functie van Hendrik van Heessel. Dat was een belangrijke heraut in het gebied tussen Maas en Rijn, waartoe ook Holland behoorde. ‘Ruwieren’ verwijst naar het stokoude Frankische gebied Ripuarië, aan de westoever van de Rijn.

Een heraut functioneerde als bewaker van de ridder-eer en werd aangesteld door een lokale heerser of door de koning. Een heraut kon bij toernooien of andere officiële feesten bijvoorbeeld een ridder uitsluiten van deelname als die zich ‘eerloos’ gedragen had. Bij toernooien stootte de heraut dan met een stok de helm van de eerloze ridder van de plank waarop vooraf alle helmen werden uitgestald. In een door eer gedreven samenleving kon zoiets grote sociale consequenties hebben.

De gewoonte om gravenportretten op rij te maken, ontstond waarschijnlijk in de veertiende eeuw, legt Van Anrooij uit, ongetwijfeld om het ambt van de graaf legitimiteit en gezag te geven. De tekeningen in Hendriks boek zijn waarschijnlijk gebaseerd op de houten beelden van de graven die sinds eind veertiende eeuw op het Haagse Hof te vinden waren, maar later zoek geraakt zijn.

“De studie van de riddercultuur in de late Middeleeuwen is een gigantisch terrein, maar in Nederland wordt er maar weinig aan gedaan”, zegt Van Anrooij berustend. “Terwijl er juist in de Lage Landen zoveel heraldisch materiaal is te vinden dat ze er in het buitenland jaloers naar kijken. De rijkste bronnen zijn hier, omdat het ridderideaal zo ongeveer in deze streken is uitgevonden: in de elfde en twaalfde eeuw in Noord Frankrijk en Vlaanderen.”