De markt als bron van welvaart en als dogma

De term ‘marktwerking’ is een schoolvoorbeeld van hoe een eens gevierd begrip een vies woord kan worden. Overal in het Westen keert de stemming zich langzamerhand tegen veel van wat met de ‘markt’ geassocieerd wordt. Dat geldt voor de continentaal-Europese landen die traditioneel al wat minder met de liberale economie op hadden. Het gaat ook op voor de Angelsaksische wereld, waar in de Verenigde Staten de kandidaten voor het Witte Huis elkaar de afgelopen maanden de loef afstaken met de bescherming van de kleine man tegen de macht van het goedkoop producerende buitenland. Of in het Verenigde Koninkrijk, waar Labour mede lijdt onder een terugslag ten aanzien van het liberale beleid van de regering-Blair en opvolger Brown. De antimarktstemming waart door Duitsland, waar president Köhler de financiële markt een ‘monster’ noemde.

En ook in Nederland staat de vrije markt onder druk. Wie in ons land naar voorbeelden zoekt van hoe het niet moet, heeft ze voor het uitkiezen. Marktwerking op het spoor mislukte al vroeg. Marktwerking in de taxibranche zorgde soms voor chaos. Marktwerking in de zorg zou de kwaliteit van de dienstverlening aantasten.

De voorstanders van de markt hebben de omslag van de stemming voor een deel aan zichzelf te danken. Vanaf de jaren negentig is het marktdenken in Nederland een politiek en vooral ambtelijk dogma geworden, dat soms tegen beter weten in werd toegepast. Het grote bedrijfsleven heeft, met de steeds hogere bestuurdersbeloningen, het idee gevoed dat meer markt synoniem zou zijn met meer hebzucht en een grotere ongelijkheid. En een gebrek aan adequaat toezicht heeft ertoe bijgedragen dat de meest vrije markt van allemaal, de financiële markt, de afgelopen jaren uit de hand is gelopen en vervolgens in een crisis is beland.

Dat zegt allemaal niets over het principe van de vrije markt zelf. Ondernemingsgewijze productie, in een klimaat van vrije concurrentie, is en blijft een superieur verdelingsmechanisme. Zij bevordert een stijging van productiviteit en daarmee van welvaart. Het individuele belang van de ondernemer valt daarmee voor een groot deel samen met het belang van de samenleving als geheel.

De na-oorlogse welvaartsgroei hangt sterk samen met de toegenomen economische vrijheid, die van een sterk gereguleerde maatschappij de open samenleving heeft gemaakt die Nederland nu is. Pak de mobiele telefoon en bedenk hoe duur een belminuut nu was geweest bij een blijvend monopolie van de PTT.

Dat wil niet zeggen dat de markt altijd en overal zaligmakend is. Sommige activiteiten lenen zich er minder goed voor, zoals bijvoorbeeld de concurrentie op een spoorwegnet dat is ontworpen voor slechts één deelnemer. De taxibranche is een goed voorbeeld van een sector die eerst ontward had moeten worden voordat de marktwerking er plompverloren op werd losgelaten. En in de zorg zal de overheid er altijd op moeten toezien dat bedrijven iedereen bedienen en verlieslatende deelactiviteiten niet afschuiven op de staat. Vrijheid en toezicht gaan hand in hand, en het is met name op de financiële markten waar de deelnemers met strakke hand aan duidelijke spelregels gehouden moeten worden.

De adempauze die nu wordt bepleit bij het doorvoeren van marktgerichte hervormingen is begrijpelijk. Het is de afgelopen tien jaar soms erg hard gegaan, en niet alle maatregelen waren even doordacht – sommige zelfs naïef of dom. Maar laat kritiek op de markt geen even groot dogma worden als het begrip ‘marktwerking’ zelf werd.