De gipsen maskers van het Prater

De EK-finale wordt gespeeld in het Weense Ernst Happel Stadion, in de Oostenrijkse volksmond Prater geheten. Aan de locatie kleeft een duister oorlogsverleden. In 1939 zaten onder de tribunes joden gevangen, in afwachting van hun deportatie naar Buchenwald. „Maar het voetbal ging gewoon door.”

Tijn Sadée

Op 23 januari 1939 wordt Matthias Sindelar, de Mozart van het voetbal, naakt en levenloos aangetroffen in zijn bed. Naast hem zijn maîtresse, de oogverblindende Camilla Castagnola. Haar ogen geopend, braaksel in de mondhoeken. Vergiftiging door koolmonoxide, luidt aanvankelijk de politieverklaring. Oorzaak: een gaslek in het Weense appartement, het liefdesnest van Sindelar.

Maar al snel komt een geruchtenstroom op gang. Sindelar, de ster van het Oostenrijkse Wunderteam dat schitterde in de jaren dertig, had schulden. Zijn dood was een afrekening in het criminele milieu, menen sommigen tot op de dag van vandaag.

Sindelar, geboren uit Tsjechische ouders die in 1905 verhuisden naar de hoofdstad van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, speelde tussen 1926 en 1937 ruim 40 wedstrijden (27 goals) voor het Oostenrijkse nationale elftal. In 1938, nadat Oostenrijk door de Duitse nazi’s was geannexeerd, weigerde hij uit te komen voor het Duitse Anschlussteam. ‘Sindelar ging eraan kapot, zijn dood was zelfmoord’, luidt een andere, onder voetbalfans populaire theorie. Camilla zou hem uit liefde hebben gevolgd.

„Het politiedossier raakte zoek, de waarheid is nooit achterhaald”, zegt David Forster, een jonge historicus uit Wenen. „De zelfmoordtheorie stoelt op Sindelars vermeende, heldhaftige anti-nazihouding. Maar bewijzen daarvoor zijn er niet. In 1938 was hij gewoon uitgevoetbald. Ik hou het vooralsnog op het gaslek. Een stom ongeluk. Onder Weners waren er in die tijd maar weinig helden.”

Sindalar beleefde sportieve hoogtepunten in het Weense Praterstadion waarvan de catacomben door de Duitsers gebruikt zouden worden om joden gevangen te zetten. In diezelfde voetbalarena wordt op 29 juni de EK-finale gespeeld. Het stadion, in 1931 opgeleverd als het ‘Wiener Prater’, werd in 1993 vernoemd naar de een jaar eerder overleden Oostenrijkse coach Ernst Happel onder wiens hoede het Nederlands elftal in 1978 nog de WK-finale in Argentinië bereikte.

Hoe hoog Happel ook wordt geacht, in Wenen is men ‘het Prater’ blijven zeggen.

„De Weners koesteren hun Prater, maar bijna niemand weet wat zich hier heeft afgespeeld”, zegt Forster. In het Oostenrijkse literaire voetbalmagazine Ballesterer, verwant aan het Nederlandse Hard Gras, publiceerde hij in 2002 een artikel dat de Weense voetbalwereld in verlegenheid bracht.

In een leeg Prater wijst Forster vanaf de middenstip naar Sektor B, het gedeelte van het stadion pal achter de dug-outs. „Daar, onder de tribunes, werden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog Weense joden gevangen gezet.”

Toen Hitlers legers in maart 1938 Oostenrijk binnenmarcheerden stuitten ze op weinig weerstand. De meeste Oostenrijkers bejubelden de komst van de Wehrmacht, en op 13 maart 1938 was de Oostenrijkse Anschluss bij nazi-Duitsland een feit. „Al in hetzelfde jaar werden hier de synagoges in brand gezet”, weet Forster. „Veel Weense joden vluchtten op tijd naar het buitenland. Maar wie daartoe geen middelen had werd vroeg of laat opgepakt. De Oostenrijkse nazi’s stonden bekend om hun efficiëntie.”

Omdat de stadsgevangenissen al snel overvol raakten, weken de nazi’s uit naar andere locaties, zoals het Prater. In september 1939 arriveerde een groep van ruim duizend joden in de catacomben van het voetbalstadion. „Hun leeftijden varieerden sterk, van hoogbejaard tot pubers”, vertelt Forster.

Het nieuws over de Pratergevangenen bereikte in die dagen ook Josef Wastl, het toenmalige hoofd van de antropologische afdeling van het Weens Natuurhistorisch Museum. Wastl had van de nazi’s opdracht gekregen in allerijl een tentoonstelling over ‘het joodse ras’ te organiseren. Maar voor de haastklus ontbrak het Wastl aan wetenschappelijk materiaal. Op het laatste moment kreeg de antropoloog toestemming zijn onderzoek uit te voeren onder de ‘Praterjoden’.

Forster: „Wastl sleepte zijn instrumenten mee naar het stadion, selecteerde 440 van de duizend gevangenen en begon ter plekke met zijn proeven.”

De maten van de gevangenen werden opgenomen. Haar werd weggenomen. Van de gelaten van een kleinere groep mannen werden gipsen afdrukken gemaakt. Het onderzoeksproject duurde een paar weken. Toen Wastl klaar was werd Sektor B meteen ontruimd. De joodse gevangenen werden gedeporteerd, naar Buchenwald en andere concentratiekampen. „Bijna allemaal zijn ze in de weken erna omgekomen in de kampen”, zegt Forster. „Wat van hen rest is een tiental gipsen maskers. Die liggen nog in de kelders van het Natuurhistorisch Museum.”

Het museum is gevestigd in een statig paleis aan de Weense Burgring. Bijna zeventig jaar na de experimenten van Wastl wordt de antropologische afdeling nu geleid door Margit Berner, een vriendelijke, frêle vrouw. In haar rommelige werkkamer staan dozen met menselijke botten uitgestald. Vergeelde gebitten, nog redelijk intact, liggen op haar bureau. Berner: „Wij waken hier over prachtige historische vondsten, maar het museum is tegelijk de opslagplaats van gruwelijke relieken.”

Met een grote bos sleutels in haar hand daalt ze de trappen af naar de museumkelders, een schaars verlicht betonnen labyrint waar een leek nooit levend uit zou komen. Na zeven deuren te hebben ontgrendeld knipt ze het licht aan in een ruimte waar menselijke skeletten staan opgesteld. Op de onderste plank van een archiefkast staan zes kartonnen dozen, met het opschrift: ‘Stadion - Gesichtsmasken’. Ze werden bij toeval tien jaar geleden in het museum aangetroffen. Berner kende de herkomst niet – het verhaal over de Pratergevangenen was een verzwegen voetnoot in de geschiedenis. „Ik ben in de archieven van het museum gaan zoeken, heb contact opgenomen met Buchenwald-archivarissen, en zo werd uiteindelijk het verband duidelijk tussen de maskers en het Prater.”

Berner haalt een van de gipsen maskers uit een doos. „Dit is het gelaat van Gustav Ziegler, een van de drie nog in leven zijnde overlevenden van de massamoord.” Ziegler, die na de oorlog emigreerde naar Amerika, veranderde zijn naam in Gershon Evan. Een paar jaar geleden kwam hij met zoon en dochter naar Wenen en daalde met Berner naar de museumkelder af.

Berner: „De hoogbejaarde Evan stond hier oog in oog met de afdruk van zijn jongensgezicht, en hij kon zich in detail herinneren hoe de experimenten destijds werden uitgevoerd.”

Wat Evan het meest shockeerde, is het feit dat het team Oostenrijkers waren, zegt Berner: „Hij had altijd gedacht dat het project in handen was van Duitse nazi’s. Nu hoorde hij voor het eerst dat het gewoon zijn Weense stadsgenoten waren die de leiding hadden. Nergens zijn we in documenten iets tegengekomen waaruit blijkt dat de wetenschappers na de oorlog spijt hebben betuigd.”

Op de weg terug, naar de museumhal, blikt Berner vooruit op de EK-finale. „Natuurlijk kun je met deze wetenschap nog gewoon genieten van voetbal in het Prater. Je zou anders nergens in deze stad terecht kunnen zonder een schuldgevoel. Aan alles in Wenen kleeft de geschiedenis van de oorlog.”

‘Fast alle wurden ermordet’, ’ luidt de laatste zin op een marmeren gedenksteen die een paar jaar geleden in het Prater werd aangebracht. Het initiatief kwam van historicus Forster, die na zijn publicatie over de Praterjoden het verhaal moeilijk kon loslaten. Het kostte hem acht maanden om iedereen, stadiondirectie en stadsbestuur, van de noodzaak van een gedenksteen te overtuigen. Forster: „Op het laatste moment moest ik zelfs nog vechten voor het woord ‘ermordet’. Men wilde liever dat ik ervan maakte dat de gevangen ‘stierven’ na hun deportatie.”

Oostenrijkers hebben nog altijd moeite met de waarheid over hun oorlogsverleden, zegt Forster. „Onlangs nog, bij de zeventigjarige herdenking van de Anschluss, zei de gerespecteerde Otto von Habsburg dat Oostenrijk ‘misschien wel het grootste slachtoffer was van de Duitse nazi’s’. Een volstrekt absurde voorstelling van zaken. Oostenrijk was ook slachtoffer, maar toch vooral dader.”

De grasmat ligt er goed bij, zegt Forster met een ernstig gezicht, staande voor de tribunes van Sektor B. „Tijdens hun gevangenschap was het gras voor de joden verboden terrein. Eén keer per dag werden ze gelucht maar dan mochten ze niet verder dan de sintelbaan. Het voetbal ging in die dagen gewoon door, en men wilde niet dat de joden het gras mogelijk zouden beschadigen.”

Forster ziet bij het komende EK het Oostenrijkse elftal niet ver komen. „We sneuvelen in de eerste ronde. Het succes van het Wunderteam van Sindelar heeft Oostenrijk nooit meer kunnen evenaren.”

Volgens Forster liep het met de meeste Wunderteamsterren slecht af. „Karl Gall eindigde in de Duitse Wehrmacht en stierf aan het Russische front. Rudolf Hiden, de legendarische doelman, trouwde nog voor de oorlog een Française en stond een paar jaar in het doel voor het Franse nationaal elftal. Maar na de oorlog, terug in Wenen, raakte hij aan de drank en stierf een eenzame dood.”

De problemen van spits Sindelar waren van een andere orde. In 1938 schonken de nazi’s hem het Weense café Annahof waarvan de joodse eigenaar en zijn familie waren afgevoerd naar de kampen. Sindelar, intussen in de herfst van zijn voetbalcarrière, veranderde de naam van het café in ‘Café Sindelar’.

Forster: „Het treurigste van alles is dat Annahof altijd Sindelars stamcafé was geweest. Hij speelde er dagelijks kaart met de joodse eigenaar.”

Was het wellicht een slecht geweten dat Sindelar aanzette tot zelfmoord? Werd hij verteerd door spijt? “Het is één van de vele theorieën”, zegt Forster. Ik zou deze heel graag willen geloven.”