Zo wast men dus zijn handen in onschuld

‘Bijna drie jaar lang’, schreef Loe de Jong in deel 6 van het Koninkrijk over de Duitse ‘Judenreferent’ Hans Calmeyer, ‘had hij beslissingen moeten nemen over leven en dood – beslissingen niet ten aanzien van abstracte groepen, maar van concrete, individuele mensen, wier persoonlijke omstandigheden hem in uitgebreide documentaties voorgelegd waren en van wie hij wist dat zij in wezen allen aanspraak maakten op behoud. Wie als fatsoenlijk mens door de speling van het lot op zulk een post geplaatst wordt, lijdt onherstelbare schade aan lichaam en ziel’.

Met deze apostolische zegen was Calmeyer vrijgesproken, gerehabiliteerd en zelfs bijna tot slachtoffer uitgeroepen.

Misschien terecht. Calmeyer (1903-1972) was van 1941 tot 1945 ambtenaar van het Duitse bezettingsbestuur in Nederland. Zijn hoogste baas heette Seyss-Inquart. Hij moest oordelen over afstammingskwesties: zaken van joden die de wijze waarop zij bij de burgerlijke stand stonden geregistreerd betwistten; met aktes, trouwboekjes en andere bewijsstukken probeerden ze aan te tonen dat zij minder joodse grootouders hadden dan misschien leek. Meer dan 5.000 dossiers zijn hem voorgelegd. In meer dan de helft van de gevallen werd het verzoek toegewezen.

Calmeyer verweerde zich na de oorlog met succes tegen de beschuldiging van oorlogsmisdaden, en hield vol dat hij ook in twijfelgevallen ten gunste van de requestranten had besloten. ‘Zonder mijn bemoeiingen’, schreef hij, ‘zouden uit Nederland ongeveer 17.000 mensen méér als joden gedeporteerd zijn dan gebeurd is’.

Ruim de helft van de verzoeken wees hij dus toe – maar dat betekende dat in 40 of 45 procent van de gevallen het verzoek niét werd toegewezen, dat de afgewezenen zich alsnog moesten melden, dat ze via Westerbork in Bergen-Belsen of Auschwitz terecht kwamen, en daar dood gingen. Dat is altijd het probleem met weldoeners als Weinreb, Schindler of Calmeyer: niet iedereen kreeg de Sperre, niet iedereen kwam op de lijst, niet iedereen mocht een grootouder schrappen – weldaden hadden hun grenzen, en weldoeners beslisten.

In Het geval Calmeyer gaat Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel tot in alle denkbare details na of er ook na Loe de Jong nog reden is om Calmeyers gedrag enigszins te wantrouwen. Ze noemt het resultaat van haar onderzoek een ‘contextuele biografie’, waarin ze het gedrag van haar hoofdfiguur getracht heeft ‘te plaatsen in zijn leefwereld en werkomgeving’. Je kunt je afvragen of in die zin niet alle biografieën contextuele biografieën zijn, of moeten zijn. En het staat vast dat in de biografie van mensen wier leven direct of indirect verbonden is geweest met de Holocaust, de Holocaust een dominantere rol zal spelen dan hun leven.

Künzel is dus beknopt als het gaat om Calmeyers ‘privé’-bestaan. Ze vergelijkt zijn jeugdjaren – kind van een juristenfamilie uit een specifiek Duitse Kriegsjugend-generatie – met die van Klaus Mann, ze had ook aan Het verhaal van een Duitser van Sebastian Haffner kunnen denken. Antisemitisme was vreemd aan het milieu waarin hij opgroeide en waarin hij een advocatenpraktijk begon. Maar met de komst van Hitler ging geen knop om. Hij is nooit een nazi geweest, maar hij bleef in Duitsland, hij begaf zich zelfs niet in de innere Immigration. Hij werd opgeroepen voor de Wehrmacht, wilde bij het begin van de oorlog bovenal aan mogelijke frontdienst ontkomen, en hengelde naar een ‘burger’-positie, die hij tenslotte in het betrekkelijk veilige, bezette Nederland kreeg. Judenreferent.

Heel zorgvuldig beschrijft Künzel de marges die de pragmatische Calmeyer vond en gebruikte in de ingewikkelde bureaucratie van Duitse verordeningen of binnen de verschillende interpretaties van de altijd rivaliserende militaire en burgerlijke leden van het bezettingsapparaat. Lang hield hij zich bezig met de vraag of de anti-joodse wetgeving niet veel uniformer moest worden, zonder verwarring over pure rassen-criteria enerzijds en afstammingsoordelen op grond van religieuze factoren anderzijds. Was dat een legalistische advocatenhobby? Of ging het om ‘misleidingstactieken’ waarmee hij, zoals hij na de oorlog verzekerde, argwanende superieuren zand in de ogen probeerde te strooien? ‘Voor die bewering’, schrijft Künzel streng, ‘bieden de bronnen uit die tijd geen houvast’.

Voor een Duitser van nog geen veertig, die voor hetzelfde geld in Stalingrad had kunnen eindigen, was het ambtenarenleven in Den Haag haast paradijselijk. Risico’s met achterdochtige chefs heeft Calmeyer nooit gelopen, de restaurants boden tot ver in 1944 een grote variëteit aan spijzen en dranken, van tijd tot tijd mocht mevrouw Calmeyer uit Osnabrück overkomen, en in de tussenliggende maanden behielp haar man zich met wel eens een vriendin. De administratieve arbeid was eerder saai dan slopend. Vijfduizend dossiers in vier jaar kunnen geen burn-out hebben veroorzaakt.

Na zestien maanden gevangenisstraf in Scheveningen was Calmeyer in 1946 verdachte-af. Hij hervatte in Osnabrück zijn oude stiel: advocatuur, nu gecombineerd met het notariaat. Hij ontving en sprak met Ben Sijes van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (nu NIOD), die iets minder tot vergiffenis (laat staan eerherstel) geneigd was dan later Loe de Jong, hij trad in processen tegen vroegere collega’s als getuige op, en raakte de oorlogsjaren eigenlijk nooit kwijt. ‘Niemandes Not, niemandes Blut bleibt an meinen Fingern’, troostte hij zichzelf in retrospectie. Nee, natuurlijk niet – net zo min als hij een Eichmann, een Schreibtischmörder, genoemd mocht worden. Maar een paar duizend afstammingsdossiers heeft hij ook afgewezen. En die betrokkenen hebben de oorlog niet overleefd.

Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel: Het geval Calmeyer . Mets en Schilt, 336 blz. € 25,–.