Voel je je veilig?

Schrijver Arnon Grunberg bericht uit Bagdad. Twaalfde deel van een serie.

In een dorpje niet ver van Saba al-Bor, wat op zichzelf ook niet veel meer is dan een dorp, stappen we uit de voertuigen. Het is negen uur ’s avonds. Enkele militairen hebben nachtkijkers op. We krijgen een buisje om in ons scherfvest te klemmen, waardoor de militairen met nachtkijkers ons kunnen onderscheiden van eventuele vijandelijke strijders.

‘Verspreiden’, roept luitenant Kaness.

Aan beide kanten van de weg lopen de militairen, ongeveer tien meter afstand tussen hen.

Ik loop aan de binnenkant. Af en toe roept mijn begeleider: ‘Langzamer’.

We komen een paar pubers tegen. Ik dring me naar voren om het gesprek te kunnen volgen.

Het Engels van vertaler Sam is niet vlekkeloos. Ik heb gehoord van vertalers die pas Engels leerden toen ze in dienst traden van het Amerikaanse leger. Over welke kwaliteiten zij wel beschikten, zal altijd onopgehelderd blijven.

‘Hoe gaat het?’, vraagt luitenant Kaness.

‘Goed’, zeggen de pubers.

‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vraagt de luitenant.

‘We maken een ommetje’, zeggen ze.

‘Jullie hebben een basketbalveld nodig’, zegt de luitenant. ‘Ik zal zorgen dat jullie een basketbalveldje krijgen.’

We zijn nog altijd in de zogenaamde ‘sunni triangle’. Er is geld beschikbaar voor de lokale bevolking. Van Afghanistan herinner ik me dat de Nederlandse majoor aldaar moeilijk deed over één zaklantaarn voor een politiepost. Maar de Amerikanen houden van het grote gebaar. Als je de bevolking koopt, doe het dan goed.

De weg is een zandweg. Daarachter iets wat op een weiland lijkt. We dringen een huis binnen. De heer des huizes kijkt er niet van op. Hij en de luitenant hebben elkaar eerder gezien.

‘Alles goed?’ vraagt de luitenant. De Irakees knikt.

‘Voel je je veilig?’ wil de luitenant weten. De Irakees zegt dat hij zich veilig voelt.

‘Geen Al-Qaeda gezien?’

‘Niet gezien’, zegt de Irakees.

‘Wat ben je aan het doen?’

De man zegt dat hij bezig is zijn derde vrouw te zoeken, omdat hij nog wat kinderen wil.

‘Hoeveel kinderen heb je?’ vraagt de luitenant.

‘Zeventien’, zegt de man.

Als tweede en derde vrouwen waren toegestaan in Oostenrijk hadden ze daar minder geheime kelders nodig.

‘Wil jij wat vragen?’ informeert de luitenant.

‘Hoe zoekt u naar uw derde vrouw?’ vraag ik. ‘Is het een andere zoektocht dan naar de eerste of tweede vrouw?’

De man zegt dat hij mensen vertelt dat hij zoekende is.

We vervolgen de patrouille.

‘Verspreiden’, roept de luitenant.

We zijn de kerstman in camouflagepak.