Verdorven intellectuelen

Wat beoogt Carole Seymour-Jones met haar boek over de ‘immorele levenswijze’ van Sartre en Beauvoir? Over misbruik van de biografie voor niet-biografische doeleinden.

Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre tijdens een debat over Sovjet-dissidenten op 21 juni 1977 in Théâtre Récamier in Parijs Foto AFP L'écrivain et philosophe existentialiste Jean-Paul Sartre (1905-80) et sa femme l'écrivain Simone de Beauvoir, discutent au cours d'une réunion organisée en faveur des dissidents soviétiques, le 21 juin 1977, au théâtre Récamier à Paris. French exitentialist philosopher and writer Jean-Paul Sartre (1905-80) and his wife french writer Simone de Beauvoir, speak 21 june 1977 in Paris, during a meeting in support of Soviets dissidents. AFP

Carole Seymour-Jones: A Dangerous Liaison. Century, 574 blz. €28,99

Nigel Hamilton: How to Do Biography. A Primer. Harvard University Press, 379 blz. € 22,99

De nieuwe biografie van de Britse Carole Seymour-Jones over het fameuze Franse schrijverskoppel Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir is geschreven als een aanklacht. Een aanklacht tegen de ‘ontsporingen’ en het ‘doorgeschoten individualisme’ die kenmerkend zouden zijn voor de door volgelingen van dit tweetal ontketende culturele revolte van mei-juni 1968. De vrije liefde die Beauvoir en Sartre niet alleen predikten maar ook vóórleefden en hun filosofie, het goddeloze existentialisme waardoor de 68-ers zich lieten inspireren, zijn in de ogen van Seymour-Jones immoreel.

Deze biografie is een afrekening. Jean-Paul Sartre (1905-1980) was een ‘verrader’ van zijn eigen vrijheidsideaal, een ‘collaborateur’ in de oorlog, een ‘communistenknecht’ daarna, een seksmaniak en drugsverslaafde. Zijn levenslange vriendin en ‘soulmate’ Simone de Beauvoir (1908-1986) wordt gekwalificeerd als ‘pedofiele nep-lesbienne’ die als ‘pooier van Sartre’ maagden voor de dronken viespeuk ronselde. Bovendien was zij medeplichtig aan illegale abortuspraktijken en een op drugs, wodka en whisky levende antisemiet. Met zijn tweeën hebben deze weerzinwekkende intellectuelen de wereld misleid en persoonlijke vrienden tot wanhoop, soms zelfs tot zelfmoord gedreven.

Dat krijg je ervan, aldus deze op een geborneerde preektoon geschreven chronique scandaleuse, als je niet in God gelooft, als je je wilt bevrijden van familiebanden, geen gezin sticht, alleen maar leeft om je creatieve talenten tot gelding te brengen en je eigen geluk na te jagen. Carole Seymour-Jones, die zich op het omslag van A Dangerous Liaison presenteert als echtgenote en moeder van drie kinderen, maakt van de vrijgevochten voorlopers en helden van de ’68-generatie berekenende monsters. ‘Debunking’ is zacht uitgedrukt voor deze biografie, die volgens de inleiding uit sympathie geschreven zou zijn, maar vervolgens alleen insinuaties aandraagt en geen enkel tot dusver onbekend feit onthult. Seymour-Jones komt niet verder dan het hergroeperen van citaten van en over Sartre en Beauvoir, voornamelijk geplukt uit de omvangrijke biografieën van Annie Cohen-Solal en Deirdre Bair, voorzien van tendentieus commentaar en hier en daar een rancuneuze opmerking van een als slachtoffer gepresenteerd lid van de ‘familie’, de kring rond Sartre en Beauvoir. Seymour-Jones leunt ook zwaar op Hazel Rowley’s Tête-à-tête , waarin de onstuimige relatie tussen de twee aanzienlijk lichtvoetiger is beschreven.

Voor wie is het werk van Sartre en Beauvoir kent, bevat A Dangerous Liaison geen nieuws. Zelf hebben zij in memoires en autobiografische fictie maar weinig van hun privéleven onbesproken gelaten. Het contrast tussen de door hen verkondigde idealen en de vaak minder ideale manier waarop zij hun leven vormgaven, is vervolgens in talrijke biografieën en andere publicaties naar voren gebracht. Sinds Sartres dood in 1980 is er een stroom onthullingen over ons uitgestort. Het begon met Beauvoirs publicatie van Sartres brieven aan haar (Brieven aan Castor), waarin hij, zoals hun afspraak luidde, onbekommerd uitweidde over zijn seksuele avonturen met vrouwen die hij via haar had leren kennen. Toen Beauvoir was overleden, verschenen ook haar brieven aan Sartre met sappige details over haar biseksuele liefdesavonturen. Waarschijnlijk zijn er weinig andere mensen die zo open tegenover elkaar waren over hun intiemste gevoelens, hun jaloezieën en liefdesperikelen als deze twee geliefden. Fatsoensrakkers hebben er schande van gesproken, bewonderaars hebben hulde gebracht aan hun levenskunst, weer anderen hebben erop gewezen dat hun alternatief voor monogame relaties en vanzelfsprekende familiebanden nogal wat nadelen en complicaties opleverde – iedereen mag met de getuigenissen van dit ruim vijftig jaar durende intellectuele en seksuele bondgenootschap doen wat hij wil. Iedereen, behalve een biograaf – van wie verwacht mag worden dat zij niet vooringenomen is, eerlijk citeert en haar interpretaties niet presenteert als feiten.

In zijn onlangs verschenen How to Do Biography, een soort handleiding voor biografen, waarschuwt Nigel Hamilton, de beroemde biograaf van onder anderen John F. Kennedy en Bill Clinton, voor de verleiding om een biografie te schrijven uit andere motieven dan nieuwsgierigheid en andere bedoelingen dan

[Vervolg op pagina 2]

Beauvoir en Sartre, een laaghartig dubbelportret

Vervolg van pagina 1

waarheidsvinding. In een indrukwekkend overzicht dat begint bij Samuel Johnson – ‘de vader van de moderne biografie in de westerse wereld’ en beroemd geworden door de aan hem gewijde biografie van James Boswell (The Life of Samuel Johnson, 1791) – laat Hamilton zien welke eisen aan een biografie gesteld mogen worden en in welke valkuilen onoprechte biografen kunnen trappen. Dr. Johnson eiste van een biograaf dat hij het ‘morele karakter’ van een individu evalueert, zoals Plutarchus en Suetonius dat in klassieke tijden deden, door te reconstrueren hoe de gebiografeerde omging met de dilemma’s en verleidingen waarvoor het leven hem plaatste, hoe hij zich verhield tot zijn misstappen en zonden en hoe hij al dan niet geteisterd werd door schuldgevoelens. Hamilton is met Johnson van mening dat lezers uit biografieën lessen kunnen trekken voor hun eigen leven, hetzij als waarschuwing, hetzij als inspiratiebron, mits de biografie daadwerkelijk inzicht verschaft in de motieven van de protagonist.

Carole Seymour-Jones heeft bij het onderzoeken van de relatie tussen Sartre en Beauvoir niet eens gezocht naar motieven voor hun denken en handelen. Voor haar, zo schrijft ze in de inleiding, staat vast dat beiden verbonden waren door ‘angst voor de dood van God’ en dat ze gezamenlijk staarden in een ‘existentiële leegte’, wat bij Sartre wel moest leiden naar de duivel van het communisme. ‘Het was, geloof ik, omdat hij een substituut zocht voor het christendom, dat Sartre bij het communisme terecht kwam, de grote illusie van de twintigste eeuw, waaraan hij hing met alle hartstocht van de bekeerling.’ Deze stelling, een cliché, werkt Seymour-Jones niet uit. Ondanks zijn ‘hartstocht van een bekeerling’ is Sartre nooit lid geweest van de Franse Communistische Partij. Zijn ambivalentie tegenover het stalinisme, als gevolg waarvan hij gedurende de Koude Oorlog weigerde de Sovjet-Unie te veroordelen, zelfs de schijnprocessen goedpraatte en de Goelag bagatelliseerde, is een veelbesproken feit. Volgens de biografe zou dit allemaal alleen maar te wijten zijn aan zijn liefde voor een KGB-agente Lena Zonina, die beurtelings als slachtoffer en als misleidster van Sartre wordt afgeschilderd.

Over de motieven van Beauvoir om te leven zoals zij leefde, financieel en intellectueel onafhankelijk, vrij in de keuze van haar liefdesrelaties en vriendschappen, heeft zij zelf boeken vol geschreven, niet in de laatste plaats De tweede sekse. Nu is het uiteraard de taak van een biograaf (Deirdre Bair is er een goed voorbeeld van ) om na te gaan in hoeverre die doelstellingen zijn gehaald en ten koste waarvan, maar zo moeilijk maakt Seymour-Jones het zichzelf niet. Simone de Beauvoir, zo moeten wij begrijpen, was geen ‘echte vrouw’, zij had namelijk het verstand van een man en als gevolg daarvan geen ‘normale vrouwelijke verlangens’. Over de vraag waarom zij niet met Sartre wilde trouwen, schrijft Seymour-Jones: ‘De waarheid was dat Beauvoir geen vrouwelijke neiging had’. Deze ‘onvrouwelijkheid’ hield in dat ze het niet als haar natuurlijke bestemming zag om kinderen te krijgen. Door het hele boek heen is dat wat haar biografe haar nog het meest kwalijk blijkt te nemen. Na bijna vijfhonderd bladzijden, waarin we getrakteerd worden op uit andere boeken bijeen gescharrelde bedavonturen van zowel Sartre als de hartstochtelijke Simone, en vruchteloze pogingen om haar seksuele voorkeur (lesbisch of hetero) te definiëren, komt de aap uit de mouw: Beauvoir is volgens Seymour-Jones mislukt als vrouw en feministe. Weliswaar erkent de biografe dat Beauvoirs leven voor veel vrouwen even inspirerend is geweest als haar ideeën, maar ‘sommige jonge Franse feministen hadden reserves ten opzichte van haar reputatie als aanhanger van de vrije liefde’. ‘We bewonderen haar boeken, maar we houden niet van het leven dat zij leidt.’ Zulke opmerkingen staan tussen aanhalingstekens, maar wie er worden geciteerd, staat niet in de noten vermeld. Laten we dus maar aannemen dat het Seymour-Jones’ eigen ‘reserves’ zijn ten opzicht van ’s werelds beroemdste feministische voorvechtster.

A Dangerious Liaison – de titel verwijst uiteraard naar Les liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos over de rijke en verveelde aristocrate markiezin de Merteuil en de vrouwenversierder burggraaf de Valmont – is een in vele opzichten vals en laaghartig dubbelportret, geschreven door een blauwkous die zich onledig houdt met het tellen van de glazen wodka, whisky en wijn die de verdorven existentialisten achterover sloegen. De valsheid van het boek zit hem in de selectie van het materiaal, dat voornamelijk gewag maakt van bacchanalen.

Waar Sartre en Beauvoir de tijd vandaan haalden om hun immense oeuvre bij elkaar te schrijven is een raadsel, maar dat oeuvre speelt in dit boek dan ook geen enkele rol. Het gaat om ‘onthullingen’, of liever gezegd verdachtmakingen zonder bewijzen. Zo probeert Seymore-Jones bladzij na bladzij aan te tonen dat Beauvoir als jonge lerares, mooie vrouwelijke leerlingen verleidde om ze vervolgens aan Sartre uit te leveren. Dat het de vrije keus van deze meisjes was om een relatie aan te gaan met hun briljante en aantrekkelijke lerares erkent ze wel (ze citeert zelfs uit hun liefdesbrieven), maar zwaarder laat ze de protesten van enkele boze moeders wegen die er niet tegen konden dat hun dochters onder invloed kwamen van een feministische vrijdenkster. En hoe te verklaren dat al deze ‘misleide vrouwen’, die ook met Sartre het bed deelden, hun hele leven tot de Sartre-Beauvoir-clan zijn blijven behoren? Seymour-Jones spreekt van Sartres ‘harem’, bijeengeronseld door de pedofiele ‘pimp’ Beauvoir, maar uit een harem kun je over het algemeen niet vluchten. Sartres vriendinnen bleven dan ook uit vrije wil.

Het grofst is Seymour-Jones als het over de Tweede Wereldoorlog gaat. Het is bekend dat Sartre, helaas als zovelen, de plaats van een ontslagen joodse leraar heeft ingenomen en ook dat hij gedurende de bezetting toneelstukken van zijn hand liet opvoeren. Op deze grond wordt hij nu afgeschilderd als nazi- collaborateur die zich na de bevrijding als verzetsheld liet fêteren. Beauvoir kreeg ruzie met één van Sartres joodse vriendinnen (Seymour-Jones vermeldt bij iedere vriend of vriendin van het paar uitdrukkelijk of deze al dan niet joods was) en wordt om die reden als antisemiet voorgesteld. Terwijl Sartre en Beauvoir tijdens de oorlog bij de kachel met hun kunstenaarsvrienden in Café Flore zaten, reden de treinen naar Auschwitz onophoudelijk, schrijft hun biografe, alsof de luie intellectuelen daarmee persoonlijk medeplichtig waren aan de deportatie van de Joden.

Wat waren de drijfveren van Sartre en Beauvoir om hun leven zo in te richten als zij deden en waaraan dankten zij hun immense invloed en populariteit? In zulke vragen hebben hun biografen Annie Cohen-Solal en Deirdre Bair zich grondig verdiept. Dat betekent uiteraard niet dat het laatste woord is gezegd of dat er op hun interpretaties niets valt af te dingen. Het is normaal dat invloedrijke figuren als Beauvoir en Sartre in iedere tijd opnieuw tegen het licht worden gehouden. Voortschrijdend biografisch inzicht kan verrassende interpretaties toevoegen aan reeds bekende feiten, latere onderzoekers kunnen nieuw materiaal aandragen op basis van niet eerder geraadpleegde bronnen. Er zijn genoeg recente voorbeelden die laten zien hoe verfrissend dat kan zijn. Om twee recente voorbeelden te noemen: Germaine Greers erudiete biografie Shakespeare’s Wife, die een legioen mannelijke Shakespeare-biografen als seksistisch neerzette, en Two Lives van de onderzoeksjournaliste Janet Malcolm, over de schrijfsters Gertrude Stein and Alice Toklas. Zulke studies leveren het bewijs dat op ‘dood gecheckte’ en ‘uitgemolken’ levens en oeuvres telkens opnieuw interessante visies mogelijk zijn uit nieuwe invalshoeken.

Carole Seymour-Jones’ A Dangerous Liaison is echter een schoolvoorbeeld van hoe het biografische genre instrumenteel kan worden misbruikt – om af te rekenen met hoofdpersonen en zelfs om een heel tijdperk onbeargumenteerd te veroordelen. Wie via dit tendentieuze dubbelportret voor het eerst kennis neemt van het legendarische schrijverspaar denkt dat het over een Franse variant van Bonnie and Clyde gaat.