Tussen piraten en monstergolven

In de 18de eeuw voeren jaarlijks zo’n 38 VOC-schepen naar Batavia. Het was aan de schipper om negen maanden het zootje ongeregeld aan boord in te tomen. Hoe deed hij dat?

Jaap R. Bruijn: Schippers van de VOC in de achttiende eeuw, aan wal en op zee. De Bataafsche Leeuw, 284 blz. € 25,–

In 1792 liet Jakobus Ariesz Arkenbout in China een klein beeldje van porselein van zichzelf maken. Het heeft de eeuwen overleefd. Arkenbout was dat jaar net schipper geworden en hij staat erbij zoals hij meende dat een schipper staan moest. De handen aan de zomen van zijn lange jas, zijn driekante steek onder de linkerarm en een uitdrukking van loden ernst op het gezicht. Het leven van een VOC-schipper was dan ook niet eenvoudig. In Schippers van de VOC in de achttiende eeuw, aan wal en op zee van Jaap R. Bruijn, emeritus hoogleraar maritieme geschiedenis te Leiden, prijkt Arkenbout op de kaft namens zijn beroepsgroep.

In de 18de eeuw maakte de VOC haar grootste groei door: de inkoopwaarde van Aziatische goederen voor Europa nam toe met 250 procent. Iets vergelijkbaars gebeurde met de VOC-vloot. In de toptijd vertrokken jaarlijks zo’n 38 schepen, die werden bevolkt door vijf- à achtduizend mannen en jongens. Over deze meute zwaaiden de VOC-schippers hun scepter. Bruijn berekent dat in de 18de eeuw zo’n 1.800 schippers in dienst van de VOC zijn geweest. Van ongeveer een vijfde heeft hij de levensloop onderzocht. Het beeld dat uit deze collectieve biografie oprijst is rauw en divers, maar consequent dat van het hardwerkende voetvolk van een veeleisende werkgever.

Arkenbout bijvoorbeeld begon op dertienjarige leeftijd als matroos. Langzaam klauterde hij, net zoals honderden aspirant-schippers, omhoog langs de ruwe touwen van de maritieme hiërarchie. De heenreis duurde gemiddeld negen maanden, de terugreis iets korter. Onderweg zag hij monstergolven, hij trotseerde piraten, hij verveelde zich tijdens de wekenlange perioden van windstilte rond de evenaar en zag iedere reis opnieuw zo’n derde van de bemanning ten prooi vallen aan scheurbuik. Toen ten slotte alleen nog een laatste examen hem van zijn benoeming tot schipper scheidde, had het leven op zee geen enkel geheim meer voor hem. Het jaar voordat Arkenbout schipper werd was zijn vader, eveneens VOC-schipper, op zee omgekomen. Misschien dat hij aan hem dacht toen hij in Kanton zijn beeltenis liet maken.

Was je eenmaal schipper, dan had je de beste kajuit aan boord. Een schipper had een riant salaris en wat meer is: hij had uitstekende mogelijkheden om op bescheiden wijze aan privéhandel te doen. Sommigen werden hiermee behoorlijk rijk, de meesten hielden zich keurig aan de VOC-regels en verhoogden op gepaste wijze hun welstand.

Schippers waren er in alle soorten en maten. Bruijn merkt tevreden op dat veruit de meesten competent waren en voorbeeldig in hun plichtsbetrachting. Gelukkig voor de lezer waren ze dat niet allemaal. Een schipper moest orde kunnen houden over het zooitje ongeregeld en daarom regeerde hij als een autocraat over zijn drukbevolkte dekken. Beschikte de schipper over een zwak voor alcohol en een kwade dronk, dan kregen de opvarenden te maken met een despoot als Jan Hokkeling, die aan boord van zijn schip de Alsem voor het minste of geringste de zweep liet knallen. Hokkeling liet een gek geworden ondergeschikte voor straf vastketenen op het bovendek, waar hij wekenlang werd blootgesteld aan weer, wind en zon. Voordat deze schipper zelf aan ontberingen overleed, had hij een kajuitknecht tot zelfmoord gedreven en verschillende anderen tot wanhoop.

Bruijn schrijft levendig en met veel kennis van zaken. Hij heeft ook oog voor ontwikkelingen, zoals de gestaag toenemende administratieve lastendruk voor de schipper. Hij moest zich gedwee onderwerpen aan allerlei vragenformulieren. In zijn kajuit had hij een doos vol met voorschriften en instructies. Interessant is ook dat het problematische thuisleven van de schipper aandacht krijgt. Eenzame en overspelige schippersvrouwen passeren de revue, maar ook de pogingen van schippers om na hun maritieme leven vaste voet te krijgen in de burgersamenleving in de Republiek. Arkenbout slaagde daar wonderwel in. Hij kreeg een goedbetaalde baan in de haven van zijn geboortestad Enkhuizen en stierf een kwart eeuw later vredig op hoge leeftijd.