Scheve fundamenten

De kracht van de jongste studie van het Centraal Planbureau (CPB) over huursubsidie zit hem vooral in de herhaling. Het is een bekend gegeven dat veel huursubsidie, tegenwoordig huurtoeslag, aan de verkeerde huurders toevalt. Het CPB zette vorige week nog eens de cijfers op een rij die het onliberale karakter van het volkshuisvestingsbeleid illustreren. Het gaat om grote bedragen die te denken geven. Hopelijk doen ze dat ook bij de verantwoordelijke politici.

De woonlasten van veel huurders worden door overheidsingrijpen kunstmatig laag gehouden. Met de regulering en subsidiëring is jaarlijks 14,5 miljard euro gemoeid. Daarvan komt 6,75 miljard terecht bij huurders met lage inkomens, voor wie de regelingen bedoeld zijn. De rest gaat indirect naar midden- en hogere inkomens doordat zij een huur betalen die ver beneden de marktwaarde ligt. Het niveau van de investeringen in nieuwbouw en bestaande woningen lijdt zonder twijfel onder deze onderbetalingen.

Huurbelasting was de oplossing die onder andere de PvdA in de jaren tachtig bedacht, opdat huurders die met een goed inkomen in een te goedkope woning woonden óf meer zouden gaan betalen óf naar een duurder huis zouden verhuizen. In de jaren negentig zon ook CDA-staatssecretaris Heerma van Volkshuisvesting op prikkels om doorstroming te bevorderen en ‘scheefheid’ – subsidies die hun doel voorbijschieten – tegen te gaan. En deze eeuw begon minister Dekker (VVD) voorzichtig hier en daar de huren vrij te laten. Het is allemaal niet of slechts mondjesmaat gelukt.

Volgens de CPB-studie moet het heil worden verwacht van een radicale overstap naar een goeddeels vrije markt in de woningsector. „Zonder woninghuurbeleid”, aldus een boude bewering in het rapport, „zouden de problemen met wachtlijsten, scheefwonen en een gebrek aan doorstroming niet aan de orde zijn en zou iedereen kunnen wonen zoals hij wil”. Ook zou het aanbod groter worden, omdat de markt voor verhuurders aantrekkelijker wordt.

Er is wel één moeilijk te negeren nadeel: de huren zouden bijna tweemaal zo hoog zijn als nu. Aan een dergelijke lastenverzwaring langs bijvoorbeeld fiscale weg zou geen politicus zich wagen, en terecht. Maar als de Rijksoverheid haar subsidies aan de woningmarkt voor een groot deel stopzet, ontstaat er ruimte, ter compensatie van de hogere huren, voor forse belastingverlaging. Dat zou ook het geval zijn wanneer de fiscale subsidie voor huiseigenaren, de hypotheekrenteaftrek, zou worden afgeschaft.

Duidelijk is dat zulke rigoureuze ingrepen slechts geleidelijk kunnen plaatsvinden en dat er altijd een garantie moet zijn dat ook de laagste inkomensgroepen een betaalbare woning kunnen betrekken.

Maar invoering van een systeem dat subsidies niet meer op de verkeerde plek doet belanden, verdient belangstelling. Is het niet van het huidige kabinet, dat op deze punten de passiviteit predikt, dan toch wel van partijen die verder dan vier jaar vooruit durven te kijken.