Oprechte Wagnerianen liepen het liefst om haar heen

Oliver Hilmes: Herrin des Hügels. Das Leben der Cosima Wagner. Siedler,495 blz. € 24,95

De levenslange bezetenheid van Cosima Wagner (1837- 1930), de onechte dochter van Franz Liszt, de dwepende echtgenote van Richard Wagner, de ongenaakbare hoedster van Bayreuth en de Wagner-clan, is behalve fascinerend vooral raadselachtig. Wat bewoog haar? Ze speelde een bepalende rol in het leven van Wagner en volgens velen is zij de ontbrekende schakel tussen Wagners hoogstpersoonlijke obsessie met Duitsland, zijn virulente antisemitisme en Hitlers nationaal-socialisme. Daardoor is Wagners weduwe vooral symbool geworden voor de verwording van Wagner en Bayreuth, de jammerlijke ontsporing van revolutionaire kunst, die na de dood van de componist in dienst werd gesteld van een agressief nationalisme en vervolgens van een duistere, atavistische ideologie en rassenwaan. Oprechte Wagnerianen zouden het liefst om Cosima heenlopen, ook al beseffen ze dat dat onmogelijk is, al was het maar om de oneindig gedetailleerde dagboeken die ze tijdens haar jaren met Wagner bijhield.

De jonge Duitse biograaf Oliver Hilmes, die eerder een ontnuchterend boek over Alma Mahler schreef (onlangs in het Nederlands vertaald, De Arbeiderspers, € 34,95), heeft zich aan het leven van Cosima gewaagd. Hij doet een manmoedige poging om achter de façade van de het Wagneriaanse monstre sacré te komen, door te dringen tot het wezen van de vrouw die haar eigen persoonlijkheid met een ongekende verbetenheid ondergeschikt maakte aan de zaak die ze diende: Wagners nagedachtenis.

Daar in slaagt hij ten dele. Haar jeugd, het meest onbekende deel van haar leven, blijkt het meest navoelbaar. Ze was het resultaat, samen met haar broer Daniel en haar zuster Blandine van een heftige relatie van Liszt en de Franse schrijfster en salonhoudster Marie d’Agoult, een gravin. Die verhouding hield geen stand en Cosima en de andere kinderen werden door Liszt, die heel Europa afreisde als pianovirtuoos, vooral als ballast beschouwd, Uiteindelijk werden ze ondergebracht bij twee bejaarde en benepen gouvernantes, die iedere levenslust bij de kinderen effectief de kop indrukten.

Hilmes ziet in die periode de oorsprong van de latere Cosima, een vrouw die zwelgt in zelfopoffering in naam van een hogere zaak. Volgens hem is er zelfs sprake van een onvervalst masochisme; hij verklaart er de misselijkmakende mengeling van breed uitgemeten gevoelens van nietswaardigheid én een neiging tot overheersen uit. Juist omdat Cosima haar god Wagner als levensbestemming had gevonden, kon zij, de meester dienende, de lakens uitdelen.

Zodra Hilmes aankomt bij Cosima’s diep ongelukkige huwelijk met de dirigent Hans von Bülow, met wie ze twee dochters kreeg, en bij haar langzaam ontwaakte liefde voor zijn idool, Richard Wagner, bevindt hij zich op bekend terrein. Maar omdat Hilmes de emotionele strubbelingen van de betrokkenen invoelbaar weet te maken, krijg je voor het eerst een goed beeld van de tegenstrijdigheden van Cosima’s karakter; ze was conventioneel en nietsontziend tegelijk. Ze koesterde een grote, oprechte wroeging over het overspel met Wagner en de uiteindelijke breuk met Von Bülow – het was haar onwrikbare geloof in het genie van de eerste waarmee ze haar gedrag rechtvaardigde.

De rest is bekend: Cosima ontpopte zich tijdens haar jaren met Wagner als steun en toeverlaat met een ongekende dweepzucht. Na zijn dood in Venetië in 1883 zette ze zich volledig in om de cultus rond Wagner en zijn opera’s te bestendigen. Alles en iedereen werd daaraan ondergeschikt gemaakt. Cosima was de motor achter het festival in Bayreuth, dat aanvankelijk zo om het jaar plaatsvond, later jaarlijks. Ze maakte van zichzelf een mythische verschijning, bleek en voornaam, die werd aanbeden door Wagner-dwepers, terwijl ze achter de schermen een onvermoeibare regelzucht aan de dag legde; ze intendeerde, regisseerde, administreerde.

Haar leven valt vanaf dat moment samen met Bayreuth; de biografie van Hilmes verandert in een kroniek van ruzies en gekonkel rond het door haar streng bewaakte heiligdom. De biograaf staat uitgebreid stil bij haar woedende strijd om Wagners verbod om zijn laatste opera, Parsifal, ergens anders dan in Bayreuth uit te voeren, koste wat het kost in ere te houden; een verloren strijd. Latere ruzies en schandalen stonden eveneens in het teken van haar heilige opdracht om Wagner te dienen.

Tegelijk kwam haar familiekring, die vanaf het eerste begin ultrarechts en obsessief antisemitisch was, steeds meer onder invloed te staan van de quasi-wetenschappelijke theorieën van haar schoonzoon Houston Stewart Chamberlain. Nadat bij haar in 1906 een hartkwaal werd ontdekt, moest Cosima de leiding van het festival overdragen aan haar onvolkomen zoon Siegfried, een zwakke, trieste figuur, die wanhopig probeerde in de voetstappen van zowel zijn vader als zijn moeder te treden.

Cosima werd na haar terugtreden een levend relikwie; in de jaren twintig werd de stokoude dame zelfs tegen betaling aan vreemden getoond om de lege kas van het festival te spekken. Wat er daarna met Bayreuth gebeurde is uitputtend beschreven in Brigitte Hamanns Winifred Wagner, oder Hitler’s Bayreuth. Hilmes biografie van Cosima is een waardig voorspel tot dat adembenemende boek.