Kat en muis in één man

Een biograaf komt in de problemen als zijn onderwerp weigert mee te werken aan het boek. Maar wat doet een autobiografisch schrijver als zijn alterego hem in de steek laat?

L.H. Wiener: Eindelijk volstrekt alleen. Contact, 268 blz. € 22,50

Denk je alles gehad te hebben, neemt je alterego de benen. Uit morele verontwaardiging over de affaire die je bent begonnen met de negentienjarige Quirina Taselaar, die al een rol speelde in je vorige boek: ‘Zij wordt in zijn werk weliswaar als een fictief personage gepresenteerd, maar intussen woont zij nu al maandenlang bij de schrijver thuis in Haarlem. De verering van Quirina T. heet dat boek. Hoe de werkelijkheid de kunst imiteert! Niks geen fictie of platonistiek, hoe zeg je dat, maar gewoon recht op en neer, één op één.’ Aldus Victor van Gigch, leraar op een lyceum in Haarlem en ‘ook nog schrijver’, sinds jaar en dag de centrale figuur in de boeken van L.H. Wiener, over zijn schepper. ‘Ik mag dagelijks om zeven uur opstaan, met een knallende koppijn van de drank die hij de vorige avond gedronken heeft’. Dus trekt Van Gigch, na nog wat gescheld over en weer, de deur van huize Wiener achter zich dicht. Toevallig in de periode dat de Haarlemse onderwijzer en schrijver Lodewijk Wiener het leraarsvak vaarwel zegt.

De desertie van het alterego is een aardige vondst, maar wat betekent het werkelijk? Voor de vorm en inhoud van Eindelijk volstrekt alleen, het nieuwe boek van L.H. Wiener, blijken de gevolgen marginaal. En dat is maar goed ook. Net als in zijn meesterlijke ‘romans’ Nestor en De verering van Quirina T. gaat Wiener in deze aanvankelijk als verhalenbundel gepresenteerde kroniek vol overgave op zoek naar zichzelf – of naar wat er voor dat ‘zelf’ moet doorgaan. Alledaagse observaties, jeugdherinneringen, brieven aan collega-schrijvers, afrekeningen met vijanden, beschrijvingen van lichamelijke kwalen en kwaaltjes, onderwijsanekdotes, columnachtige beschouwingen en herlezingen van zijn eigen werk gaan daarbij associatief in elkaar over.

Wiener spaart daarbij zichzelf even weinig als hij in het verleden Van Gigch spaarde. Zo doet hij op komische wijze verslag van een ‘laatste vakantie’ die een zeer op hem gelijkende man met zijn gezin-in- ontbinding doorbracht op een camping in Frankrijk. Daar verblijft ook een beeldschone Amerikaanse van wie de held zijn ogen maar niet af kan houden. ‘En dan, eenmaal, op een hete ochtend in de tweede week, gebeurt het ook. Gebeurt in werkelijkheid wat zich in zijn brein al vele malen heeft geprojecteerd. Zij zwaait naar hem.’ Dat laatste zinnetje is een understatement, want in het brein van de man is wel meer opgekomen dan een zwaaihandje. Vervolgens maakt Wiener het gedrag van de oudere huisvader nog wat pijnlijker: ‘En toegegeven, hij zwaait eerst.’

Met een gelijksoortige zelfspot kan Wiener vertellen over een vergeefse poging om het verzameld werk van F.B. Hotz (‘Deze schrijver is na mij de grootste verhalenverteller van het gehele Nederlandse taalgebied’) te kopen; het bezoek aan een Leidse boekenveiling loopt op niets uit door zenuwen en onhandigheden. Op weg naar huis verzucht hij: ‘Zouden er in Leiden ook hoeren zitten […] want ik had nu zin om mezelf nog verder te vernederen’.

Eindelijk volstrekt alleen is een fragmentarisch boek, maar het merkwaardige is dat je je dat tijdens het lezen amper bewust bent. Dat heeft in de eerste plaats te maken met Wieners stijl die moeiteloos schakelt van komische passages als het bovenstaande naar mooie subtiliteiten. Zo kan hij een korte oekaze houden tegen het juryrapport van de Librisprijs die zijn boek ‘nagenoeg’ geslaagd noemde en zo onthulde dat hij niet zou winnen. Een paar pagina’s verder heeft hij het over het besluit van Sigmund Freud om in 1939 naar Engeland te vluchten en voegt hij een zinnetje toe waaraan het woord ‘nagenoeg’ nu een alles doordringende bitterheid geeft. ‘Een beslissing die mijn grootouders in mei 1940 nagenoeg ook genomen hebben.’

Dat juist die aan het verleden gelieerde passage tot de indrukwekkendste momenten van het boek behoort, is waarschijnlijk geen toeval: Wiener is op zijn best als hij zijn zelfonderzoek richt op zijn verleden, op de verhalen over zichzelf en zijn familie die zich maar met moeite laten vertellen. In het verleden bevinden zich de plaatsen waar hij het moeilijkst bij kan, waarvan hij zelf onmogelijk nog uit elkaar kan houden wat werkelijkheid was en wat verbeelding is geworden – het is wat zijn vorige twee boeken, Nestor en De verering van Quirina T. tot hoogtepunten in zijn oeuvre maakte.

Op het eerste gezicht lijkt de inzet van Eindelijk volstrekt alleen minder hoog: we blijven dicht bij het dagelijks leven van de leraar en schrijver Wiener. Wat probeert hij hier bloot te leggen? Die vraag is misschien nog wel het best te beantwoorden aan de hand van een leeservaring. Ongeveer halverwege het boek schrijft Wiener: ‘Muizen zijn ongeveer de triestste dieren van de gehele schepping. Zij bestaan uitsluitend als voedsel voor andere dieren, of als oefenmateriaal in laboratoria, maar in plaats van daardoor mededogen op te wekken, genereren zij afkeer.’ Waarna hij het spel van de kat en de muis oproept: de uiterlijke zachtheid van de muis, de kaken van de kat, de wreedheid van het spel. En de ernst ervan: de kat lijkt het allemaal voor zijn plezier te doen, maar o wee als je probeert hem zijn muis af te nemen.

De passage deed me, toen ik hem las, aan de speels-wrede symbiose tussen Wiener en zijn alterego denken: een man die kat en muis tegelijk is en die zijn spel speelt met ernst en overgave. Het merkwaardige is, dat toen ik de passage teruglas, slechts het geciteerde deel van de genoemde passage er werkelijk bleek te staan. Het beeld van de spelende kat was had ik kennelijk verzonnen.

Dat lijkt particulier, maar die ervaring raakt aan de kern van wat Wiener in zijn eigen boeken lijkt te overkomen en wat in Eindelijk volstrekt alleen helderder dan ooit te zien is. Wiener kiest zo vaak een nieuwe draai tot het ook hemzelf niet meer duidelijk lijkt te zijn wat zijn eigen leven is en wat hij verzonnen heeft. Tot het punt, kortom, waarop hijzelf alleen nog als fictie bestaat. Dat is de ware betekenis van het vertrek van Vincent van Gigch. L.H. Wiener, de schrijver, heeft geen fictioneel alterego meer nodig omdat hij zelf fictie is geworden, onafhankelijk van de ouder wordende, sterfelijke Lodewijk Wiener. ‘Schrijvers die ontkennen dat ze schrijven om niet anoniem te passeren jokken’, schrijft Wiener. Hij voegt eraan toe: ‘hetgeen overigens op de kwaliteit van hun werk geen invloed hoeft te hebben’. Dat laatste kan zo zijn, maar Eindelijk volstrekt alleen laat vooral zien hoeveel dat verlangen Wiener zelf oplevert.