Ik hoef geen pose aan te nemen

David Elders is begrafenisondernemer met een missie.

Elke vrijdag een gesprek over hoe iemand zich ontspant en weer oplaadt.

Foto Bob van der Vlist bob van der vlist/ begrafenisondernemer zin Vlist, Bob van der

Het begon in India. Daar was filosoof David Elders (46) getuige van een crematie. Gewikkeld in een doek lag de dode op een brandstapel. En ploep, daar viel een arm opzij, zichtbaar voor iedereen. David Elders zag hoe twee jongetjes de arm terugduwden: die moest mee verbranden. Kinderen die het gewoon vinden een dode aan te raken, ja zelfs een arm verleggen – dat zou bij ons nou nooit gebeuren, zei hij tegen zijn reisgenoten. Vervolgens stak David Elders spontaan een betoog af over de Nederlandse, afstandelijke omgang met de dood. Dat de dood geen onderdeel uitmaakt van ons leven, en omgekeerd: het leven geen onderdeel van de dood. Dat begrafenissen wel wat persoonlijker zouden mogen. Dat hij daar misschien iets aan moest doen.

En zo gebeurde. David Elders werd begrafenisondernemer. En dan één met een missie: hij wil nabestaanden invulling laten geven aan de begrafenis. Als ze dat willen, tenminste. Zelf de rouwbrief schrijven, zelf de doodskist timmeren, zelf het graf dicht scheppen.

Inmiddels zit hij al een paar jaar in het vak en is zijn werkwijze door veel uitvaartondernemers overgenomen. Zijn onderneming bestiert hij met zijn vrouw, in Amsterdam-Oost. Ze wonen met een zoon en een dochter van acht en negen boven de zaak. Wel zo gemakkelijk: vaak komt het rouwbezoek ’s avonds. En ze kunnen nu eenmaal niet in shifts werken. Daarvoor is het bedrijf te klein.

Deze vrijdagmiddag verloopt wat chaotisch. David Elders laat op zich wachten. Hij ontvangt beneden bezoek. Als hij uiteindelijk binnenkomt in het kantoor op de eerste verdieping, is hij nog druk aan het bellen. Dan gaat hij zitten.

Gaat het zo de hele dag?

„Het is nu wel heel hectisch. Sinds gisteren hebben we drie overlijdensgevallen binnen. Er moet een opbaarplank weg die nog hier staat. Soms moeten alles ineens tegelijk. De glazenwasser kwam nog langs. Dit interview kwam tussendoor.”

Oeps.

„Nee hoor, het hoort erbij. Dit is ook geen negen-tot-vijfbaan. Soms worden we ’s avonds gebeld. Of ’s nachts. Logisch natuurlijk. Mensen gaan nu eenmaal altijd dood.”

Blijft een sterfgeval elke keer heftig of is het gewoon werk?

„Het is natuurlijk anders dan werken op de beurs of in verzekeringen zitten. Wat mijzelf betreft zijn er drie soorten momenten dat ik helemaal van de wereld ben. Dat gebeurde toen ik verliefd werd en ging trouwen. Het gebeurde toen mijn kinderen werden geboren. En het gebeurt als familieleden of vrienden sterven. Het zijn momenten die niet maakbaar zijn, die je niet kunt plannen en die ontzettend echt zijn.”

Die echtheid trekt u aan?

„Ja, die echtheid maakt dat je dit werk volhoudt. De nabestaanden gedragen zich zoals ze zijn. En ook ik hoef geen pose aan te nemen die mij niet eigen is. Mensen hebben zoveel ideeën over hoe ze zich moeten gedragen en wat ze moeten zeggen, zonder dat ze daar goede redenen voor hebben. Als ik mensen ontmoet hebben ze geen maskers op.”

En u laat ze bovendien vrij.

„Ja, dat versterkt de echtheid. Ik probeer mensen de ruimte en de tijd te geven om de uitvaartdienst zelf vorm te geven. Vroeger dachten mensen dat je je moest aanpassen aan hoe een begrafenis zogenaamd hoorde te zijn. Maar het standaardscript van de zwarte auto, de volgwagens en de ernstige kistdragers met grijze hoeden past misschien helemaal niet bij het soort leven dat een persoon heeft geleefd. Voor sommige mensen is een feestje misschien passender.”

Een begrafenisfeestje.

„Ja, dat willen mensen soms. Wijn in plaats van koffie of een geschilderde kist. Maar het verdriet ligt natuurlijk altijd aan de oppervlakte. En dat verdriet is voor mij een extra aansporing om mensen zo goed mogelijk te helpen. Ik voel het verdriet, ook al is het niet mijn eigen verdriet. In het begin betrok ik het werk heel erg op mijzelf. Dan voelde ik me eenzaam als een familie weer was vertrokken na een begrafenis. Door de intimiteit die gepaard gaat met de dood krijg je al gauw het gevoel dat je bij elkaar hoort. Ik beleefde in het klein wat die mensen in het honderdvoudige beleven. De emotie van het afscheid. En daar draait dit werk natuurlijk ook vooral om.”

En nu?

„Ik heb de neiging werk en privé door elkaar heen te laten lopen. Maar ik vind dat niet erg. Ik kan moeilijk nietsdoen. En de dood is interessant. Waarom gaan we dood? Is er leven na de dood? In mijn werk komen die zingevingsvragen steeds naar boven.”

En? Is er leven na de dood?

„Ik denk wel dat er iets is, ja. Je hoort hier soms van die onverklaarbare dingen. Bijvoorbeeld een man die gek was op engelen – hadden drie van zijn kennissen dezelfde nacht een droom waarin engelen voorkwamen. Die nacht bleek de man te zijn overleden. Of neem de man van wie de familie tot zijn dood niet wist dat hij een vriendin had. De familie accepteerde haar niet en liet haar niet toe op zijn begrafenis. Hij lag hier opgebaard en toen ik even met hem alleen in het vertrek was, vroeg ik: ‘Wat vindt u ervan dat uw vriendin er niet bij is?’ Sloegen ineens alle stoppen door.”

U vroeg dat aan de overledene?

„Ja. Hoe meer je met de dood omgaat, hoe normaler het allemaal wordt. Doodnormaal, zeg ik wel eens. We praten tegen de overledenen die hier worden binnengebracht. Dat gaat heel natuurlijk, net als in jezelf mompelen. Goedemorgen, zeggen we dan tegen iemand die opgebaard ligt. Of: wij brengen u nu even naar de andere kamer. En als onze kinderen zeggen dat er geesten zijn, dan probeer ik die weg te sturen. ‘Je moet ons niet lastig vallen’, zeg ik dan. ‘Ga naar je geliefde toe.’ Of: ‘Ga naar de mensen die je missen.’ Of ik leg het de dode uit: ‘Je bent dood.’ Het kan zijn dat ze niet weten dat ze dood zijn. Door het ze mee te delen begrijpen ze waarom de wereld niet meer op hen reageert. Het is heel simpel eigenlijk, heel praktisch. Op een gegeven moment stop je gewoon met het zoeken naar een verklaring.”

Zoals u het vertelt, lijkt het een normale baan.

„In elk geval verveelt het niet. Ik heb er bijna altijd zin in een uitvaart te doen. Om met de familie alles door te spreken. Begraven of cremeren, rouwbrief ja of nee, het soort kist, hoe het dode lichaam moet worden aangekleed. Ik weet er ook gewoon veel van, zo langzamerhand. Aan de telefoon hoor ik vaak al wat de mensen willen. Dan weet ik binnen vijf minuten waar zij een uur later op uit zullen komen.”

Wanneer bent u tevreden?

„Als alles is gelopen zoals de mensen wilden. Dat weet ik na de dienst en voor de koffie, zeg maar. Dan zit het werk erop. Ik blijf dan nog wel voor de condoleance, maar de spanning is eraf. Daarna ga ik naar huis en weer iets anders doen. Dat kan van alles zijn: de kinderen ophalen, voetballen, de krant lezen.”