Hoe verwijtbaar is praten met de vijand?

Appeasement. Een zware beschuldiging. Barack Obama heeft zich bereid verklaard in contacten met Amerika’s tegenstanders diplomatie een kans te geven als hij in november de verkiezingen wint. In een rede voor het Israëlische parlement zei president Bush onlangs: „Wij zijn verplicht dit te noemen wat het is: het valse comfort van appeasement, dat bij herhaling door de geschiedenis in diskrediet is gebracht”. De regering-Olmert zegt zich ernstige zorgen te maken over de bedoelingen van het mullah-regime in Teheran. Obama heeft zich in de Democratische primarycampagne uitgesproken voor overleg, eventueel op het hoogste niveau. Dat houdt bereidheid in om een topontmoeting te beleggen met Iraans hoogste leiders.

Appeasement – letterlijk het tot bedaren brengen van spanningen. Het is een historisch verwijt en een term die samen met de naam München met een zekere regelmaat opduikt elke keer wanneer supporters van de harde lijn in de internationale betrekkingen voorstanders van diplomatie en het zonodig doen van concessies menen te moeten intimideren. In de Beierse hoofdstad ‘verkwanselde’ de Britse premier Chamberlain in 1938 Tsjechisch Sudetenland aan Hitler. Op het moment zelf werd de man gehuldigd als vredesapostel (‘peace for our time’), maar de Duitse dictator bleek niet te apaiseren. De Tweede Wereldoorlog en de Holocaust liggen volgens de historische consensus in het verlengde van ‘München’. Het verwijt van Bush aan Obama stijgt daarmee ver uit boven het dagelijkse gehakketak tijdens een doorsnee verkiezingscampagne.

De eerste vraag is hoe kwetsbaar de kandidatuur-Obama zal blijken te zijn voor beschuldigingen van deze aard. In de confrontatie na Obama’s nominatie door de Democratische conventie zal de Republikeinse kandidaat McCain het appeasementverwijt waarschijnlijk tot de speerpunt van zijn aanval maken. Dat Hillary Clinton dit voorvoelde, zichzelf de betere kanshebber acht tegen de Republikeinse senator van Arizona bleek toen zij scherp uithaalde naar Teheran. Zij zou Iran vernietigen (obliterate) als het regime zelfs maar overwoog Israël te attaqueren. Totale vernietiging is alleen mogelijk met atoomwapens. Clinton passeerde Bush rechts.

Een tweede vraag is hoe geloofwaardig een Amerikaanse politicus is wanneer hij dit verwijt maakt aan een opponent. Wie de geschiedenis doorneemt, komt waarschijnlijk meer voorbeelden tegen van bereidheid tot onderhandelen dan van de onverzoenlijke harde lijn, juist ook in Amerika, juist ook in het Witte Huis. De Tweede Wereldoorlog werd inderdaad uitgevochten onder de geallieerde premisse van onvoorwaardelijke capitulatie van de vijand. Maar dat verhinderde de VS niet de Japanse keizer te handhaven en voorstellen als het Morgenthauplan (het verslagen Duitsland ontmantelen als industriestaat) in de onderste lade op te bergen.

Zelfs Bush onderhandelt met Noord-Korea, accepteert de op heterdaad betrapte Libische leider Gaddafi in zijn vriendenkring en onderhoudt contacten met de Iraniërs over soms bloedige meningsverschillen tussen Iraks shi’ieten onderling. Bush sr. probeerde aan de vooravond van de Golfoorlog tot het laatst Saddam Hoessein te bewegen tot een compromis over Koeweit. Zijn toenmalige bewindsman Baker zei dan ook in een advies aan jr.: „Met je vijanden praat je”. Praktisch gedurende de hele Koude Oorlog deden opeenvolgende presidenten hun best de deur naar het Kremlin tenminste op een kier te houden. Een wijdvertakt beheersysteem voor strategische wapens was daarvan het product.

Een derde vraag is of er lessen te trekken zijn uit het verleden. Twee auteurs, de journalist Nathan Thrall en de academicus Jesse James Wilkins, hielden onlangs in de International Herald Tribune een pleidooi tegen praten, zeker op het hoogste niveau. Hun argument was de ontmoeting tussen president Kennedy en partijsecretaris Chroesjtsjov in Wenen in april 1961. Naar Kennedy’s eigen weergave, onmiddellijk na het gesprek tegenover journalist van de New York Times, James Reston, was het een fiasco. De Russische leider had hem geschoffeerd met felle kritiek op wat Amerikanen doorgaans zien als hun glorieuze en moreel hoogstaande geschiedenis en actuele politiek. Kennedy vreesde dat Chroesjtsjov hem nu als een onervaren zwakkeling zou beschouwen en dat de Rus slechts een aanleiding nodig had om hem te overbluffen.

De rakettencrisis over Cuba van oktober 1963, waar Kennedy tot het uiterste op de proef werd gesteld, zou een gevolg zijn geweest van het Weense debacle. Reden voor beide auteurs om te waarschuwen tegen spontane confrontaties van een onervaren president met geslepen en chantage tot in hun vingertoppen beheersende tegenstanders. Maar evengoed kan gezegd worden dat Kennedy Chroesjtsjov in Wenen beter de maat had genomen dan Chroesjtsjov de president. Kennedy had in hem een keiharde machtspoliticus onderkend, maar een die niet van alle redelijkheid was gespeend. Dat stelde hem in staat om in de Cuba-crisis adviezen van zijn generaals en zijn naaste medewerkers voor een invasie van het eiland naast zich neer te leggen en Chroesjtsjov in onderhandelingen tot de terugtocht te bewegen.

Het is maar wat je van de geschiedenis wilt opsteken.

Jan Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.

Rectificatie / Gerectificeerd

Rakettencrisis

In de column van Jan Sampiemon (30 mei, pagina 7) staat dat de rakettencrisis in 1963 plaatsvond. Dit moet 1962 zijn.