Het leven kan zo zwaar en ook zo zoet zijn

Moeten politieagenten de koranvertaling van Kader Abdolah lezen?

Het boek van Hülya Cigdem is zeker zo’n goede gids in de zeden van Turks Nederland.

Een geit uit de bergen. Zo noemen jonge Turkse en Marokkaanse Nederlanders de importbruiden schamper. Meisjes die via een huwelijk het voor hen volkomen onbekende Nederland binnenkomen, met heimwee kampen, de taal niet spreken, het leven hier niet begrijpen en volkomen afhankelijk zijn van hun nieuwe man. En (vaak) van hun schoonfamilie.

Zo’n meisje was Hülya Cigdem. Zij trouwde op haar vijftiende met een Turkse Nederlander. Ze is nu 32. Deze maand verscheen haar debuutroman, De Importbruid, een verhaal dat grotendeels haar eigen leven beschrijft. Is het literatuur? Waarschijnlijk niet. Toch is het heel bijzonder. Het boek biedt een sociologisch inkijkje in een wereld die zo dichtbij is, maar toch volkomen verborgen blijft.

Rüya, de hoofdpersoon, is dolblij dat ze op haar vijftiende mag trouwen en zo aan haar autoritaire moeder kan ontsnappen. Ze wordt zelfs verliefd op de voor haar uitgekozen bruidegom. In Nederland, verwacht ze, zal ze meer vrijheid hebben. Maar dat valt tegen. Het stel gaat, volgens de traditie, inwonen bij haar schoonouders in Tilburg. Ze wordt gebruikt als sloof en mag niet alleen naar buiten. Het geld dat ze verdient met werk in een naaiatelier moet ze, net als haar man, zus en zwager, afgeven aan haar schoonmoeder. Die heeft maandelijks de beschikking over zo’n 5.000 euro aan inkomsten.

Is ze een uitzondering of zijn er meer meisjes zoals zij? Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel degelijk, zegt Fatima Lamkharrat, senior opbouwwerker in de Rotterdamse wijk het Oude Noorden. In haar buurt bezoekt ze geïsoleerde vrouwen en probeert ze hen „stapje voor stapje” kennis te laten maken met de wereld buiten hun huis. „Sommige vrouwen komen nooit buiten. Hun man doet boodschappen en brengt de kinderen naar school. Eén vrouw zat op haar knieën op het balkon als ze de was ophing. Haar man wilde niet dat de buurman haar zou kunnen zien. Van buitenaf zag je alleen een paar handen met knijpers wasgoed aan de lijn hangen. Als je deze vrouw op de hoek van haar straat zou zetten, zou ze haar huis niet kunnen vinden.”

Het aantal importbruiden (en bruidegommen, want die zijn er ook) neemt de laatste jaren af. De regels zijn strenger geworden. Sinds 2006 moeten vreemdelingen uit niet-westerse landen die in Nederland willen gaan wonen het verplichte inburgeringsexamen afleggen. Sinds 2004 moet importbruid, of -bruidegom, minimaal 21 jaar zijn (dat was 18) en de partner in Nederland moet 120 procent van het minimumloon verdienen.

Die dalende trend was al ingezet voordat de regels strenger werden, zegt cultureel antropoloog Carolien Bouw, co-auteur van Liefde op maat, een onderzoek uit 2005 naar de partnerkeuze van Marokkaanse en Turkse jongeren. „Het is lastig om vast te stellen of dat komt door het beleid of door veranderende denkbeelden.” Uit het onderzoek blijkt dat Marokkaanse en Turkse jongeren in de eisen die zij aan hun huwelijkspartner stellen – opleidingsniveau, ambities en gedeelde opvattingen – steeds meer op hun autochtone leeftijdsgenoten zijn gaan lijken. „Het moet een soulmate zijn, zeggen ze. Niet iemand die wordt opgedrongen.” Maar als het op trouwen aankomt, kiezen veel jongeren, ook de hogeropgeleiden, toch voor een partner die in de eerste plaats voor hun ouders acceptabel is.”

De strengere regels veranderen dat niet, zegt Fatima Lamkharrat. Al ziet ze een sterkere voorkeur voor een goed opgeleide bruid of bruidegom, want die halen de inburgeringscursus makkelijker. Maar als er een probleem is, zegt ze, zijn er sluiproutes via België of Duitsland. „Of een neef met een bedrijf stelt een nepcontract op. Er zijn ook illegale importbruiden. En er zijn veel vrouwen die naar Nederland kwamen voordat er strenge eisen werden gesteld. Zij moeten nu hun kinderen voorbereiden op een leven in een maatschappij die ze zelf niet kennen. In een taal die ze niet kennen.”

Importbruidegommen bestaan ook. Sevgi Gezer trouwde met een importbruidegom toen ze 21 jaar was. Hij was 19 en haar achterneef. Ik werd niet gedwongen te trouwen, zegt Gezer. „In theorie had ik de mogelijkheid ‘nee’ te zeggen. Maar dat kwam niet in me op. Ik had nooit geleerd kritisch na te denken over wat ik zélf wilde.” Hij kwam uit Turkije bij haar in huis wonen en het werd een drama. „Hij was als man volkomen afhankelijk van mij”, zegt ze, „en dat tartte zijn eergevoel.” Haar schoonfamilie uit Turkije liet weten hoe ze het wilden hebben: haar inkomen zou gebruikt worden om hun leven in Nederland te bekostigen. Het geld dat haar man verdiende in de metaalfabriek was bestemd voor zijn familie in Turkije. Zo gebeurde het ook.

Ook de schoonmoeder van Rüya is de baas in huis. Het is onbeleefd om éérder dan de ouders naar bed te gaan. Dus zit Kaan ’s avonds te rummikuppen tot hij erbij neervalt. Hij is een relatief rekkelijke man die goed is ingeburgerd in Nederland. Maar tegen de wil van zijn moeder gaat hij niet in. Als Rüya, ondanks stiekem pilgebruik, toch zwanger wordt en een dochter krijgt, beslist schoonmoeder hoe ze zal heten: Zeynep. Een paar dagen later verandert ze van gedachten. Het wordt toch Gül. Rüya schikt zich, ze heeft geen keus.

Doordat Rüya haar leven zo nauwgezet en gedetailleerd beschrijft, krijg je zicht, en daardoor begrip, voor de situatie. Ook het gedrag van de ouders is ingegeven door eeuwenoude tradities. Als Rüya op een gegeven moment een halfslachtige zelfmoordpoging onderneemt door te veel pijnstillers te slikken, is de vrees dat de buren dat zullen horen sterker dan de vrees dat ze misschien dood zal gaan.

Uiteindelijk leert Rüya Nederlands en vindt een betere baan. Ze legt zich niet neer bij wat is en wil, stap voor stap, beter. Het is niet helemaal duidelijk of haar huwelijk dat allemaal overleeft, het einde van het boek doet het ergste vermoeden.

Het huwelijk van Sevgi Gezer hield geen stand. De kinderen die ze samen kregen, twee dochters (nu 18 en 17 jaar) en een zoon (nu 14), wonen bij haar. Een ding heeft ze zich heilig voorgenomen: „Een partner zoeken, doen ze zelf.”