Het irrationele in culturele voorkeuren

Soms kom je iemand tegen die je zo aardig vindt, dat er niets meer aan te doen is. Ook al behandelt hij je als oud vuil, je hebt nu eenmaal besloten dat hij ok is. Het is als amor met die pijl, op oude plaatjes – eenmaal het hart doorboord, verlies je het vermogen om je affectie nog verder te reguleren aan de hand van je appreciatie van iemands werkelijk optreden.

Ons cultuurpatroon dicteert anders: een zekere congruentie tussen sympathie en belang. Kijk maar naar advertenties van contactbureaus die hoge slaagkans beloven. Het paar op de foto kijkt elkaar dolgelukkig aan, omdat ze de vragenlijst op passende wijze hebben ingevuld.

Zo hoort het ook bij kunst: wij waarderen iemand vanwege zijn werk en als we dat niet meer goed vinden, laten we hem vallen. Maar ik schiet in dat opzicht ernstig tekort. Neem nu de Sloveense filosoof Slavoj Zizek.

Ik val enorm voor die man sinds ik hem in een BBC-documentaire de toen nieuwe landsgrens tussen de voormalige Joegoslavische republieken Slovenië en Kroatië zag overschrijden. In een perfecte verbeelding van culturele stereotypen zei Zizek, nog net aan de Sloveense kant staande: „Das hier ist Mittel-Europa”. Vervolgens deed hij een stap vooruit, Kroatië in en zei: „Und das hier ist der Balkan.”

Leuke man: gejaagd prater, razendsnel associeerder. En dus lees ik sindsdien alles wat ik van Zizek te pakken kan krijgen. Alleen: er is, voor mij, maar zelden een touw aan vast te knopen, wat niet zo'n wonder is want veel van zijn werk is een commentaar op de Franse denker Lacan, waar ik ook geen snars van begrijp.

Maar ik blijf trouw fan, en heb dan ook zojuist Zizeks nieuwste, In defense of lost causes ter hand genomen. Nou dat doet het wel op een dinertje: „Hebt u de nieuwe Zizek al gelezen? ” Toch is snobisme niet mijn voornaamste drijfveer: ik geniet bij lezing, ook al ontgaat me vaak wat nu precies de strekking is van het geschrevene.

Het tegenovergestelde komt ook voor: te grote begrijpelijkheid. Eens werd er een boekje van mij gepresenteerd in een boekhandel, op een zaterdag die ongelukkigerwijs de eerste mooie dag van het jaar bleek te zijn. Er kwam dus geen hond, behalve, opeens, Jan Cremer. Later in het café, zittend aan de bar, wees hij naar de vloer en zei, zonder dat ons gesprek daar ook maar de minste aanleiding voor had geboden: „Als ze morgen een geneesmiddel tegen Aids uitvinden, reken maar dat ze tot hier liggen te neuken.”

Een dergelijke congruentie tussen legende en optreden heeft mijn onverdeelde sympathie. En die strekt zich dus ook uit tot Ik Jan Cremer 3, gisteren gepresenteerd op een feestje in de Amsterdamse Supper Club. Zeker: op grond van wat ik er tot nu toe van heb kunnen lezen, zou je zeggen dat deel drie maar weinig gemeen heeft met de schelmenromans van weleer. En in tegenstelling tot Zizek laat Cremer bitter weinig te raden over. Trouwens verbazingwekkend dat iemand zich van zoveel vrouwen zoveel jaren later nog al die plastische bijzonderheden weet te herinneren. Maar het geeft niet: ik blijf fan.

Om deze reden zie ik het somber in voor al die computerprogramma's zoals Last FM of de site van Amazon.com, die je op grond van een eens uitgesproken voorkeur maar blijven verwijzen naar muziek of boeken die lijken op wat je al leuk vindt. De culturele voorkeuren van de mens ontwikkelen zich immers onvoorspelbaar, irrationeel en onverantwoord.