Groter en rijker dan u ooit gezien heeft

Een Amerikaanse biograaf sprak met een leger van experts. En wat bleek: Marco Polo verzon echt niets over zijn wonderbaarlijke reizen door het machtige Mongolenrijk.

De Marco Polo-expeditie, zoals getekend in de overvloedig geïllustreerde Catalaanse Wereldatlas uit 1375 en gemaakt op Majorca door Abraham en Jehuda Cresques

Laurence Bergreen: Marco Polo. From Venice to Xanadu. Knopf, 415 blz. € 33,50.

Odoric van Friuli: Mijn reis naar het verre oosten. Een verslag uit het begin van de veertiende eeuw. Vert. en toel. door Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis. Athenaeum – Polak & van Gennep, 77 blz. € 14,95

Marco Polo is een merknaam. Niet alleen van vrijetijdskleding, maar ook van een manier van reizen en van reisboeken schrijven. Wie Marco Polo zegt krijgt dankzij boeken en televisiedocumentaires beelden op zijn netvlies van zinderende vlaktes, bergketens, stof, kamelen en aan de horizon de contouren van een stad. Of nog vaker: een kaal, afgegraasd plateau waar ooit een stad heeft gestaan, die met de grond gelijk is gemaakt.

Gelukkig doemt duizend kilometer verder alweer de volgende historische plek op, een oase, of opnieuw een stad. De gids, de reisschrijver, de documentairemaker verhaalt dan met zwierige pen of brede armgebaren dat dit een knooppunt was op de Zijderoute, want die volgen we immers. En dat hier de parels en de edelstenen, de reukwaren, de zijde en specerijen aan allen die hier kwamen grote winsten opleverden. We horen betoverende namen als Xanadu, Gobiwoestijn en Pamirgebergte. We reizen hier door het grootste rijk dat de mensheid heeft gekend, dat van de Mongolen onder Kublai Khan.

Marco Polo roept die beelden al heel lang op. Als geen ander heeft hij het beeld van Centraal-China er bij de Europeaan ingestampt. Hij is Azië. Niet bewust en met voorbedachten rade heeft hij dat gedaan, maar min of meer toevallig via zijn verhalen die hij vertelde in de gevangenis in Genua en vervolgens via de vele versies die daar in West-Europa van in omloop kwamen. Later werden zijn kleurrijke beschrijvingen gedrukt, verbreid en vertaald. Vanaf de 19de eeuw begonnen romantische reizigers in zijn sporen naar Azië te trekken. De term Zijderoute werd pas in 1877 gemunt door een Duitser: Seidenstrasse. Tegenwoordig kan men de route ook comfortabel nareizen met gespecialiseerde reisorganisaties.

Wie Marco Polo leest, of over hem leest krijgt onvermijdelijk dorst en voelt de vermoeidheid in zijn benen zakken. Hoe is het mogelijk dat één man die enorme reis van Venetië tot het oosten van China kon maken? In een tijd dat er geen betrouwbare kaarten bestonden, de reisomstandigheden abominabel waren en je met Italiaans en wat handgebaren hooguit een kommetje rijst en een bed kon bestellen. Of is het allemaal niet waar? Is het een van de invloedrijkste gevallen van dikke duim? Dat dachten in ieder geval, geheel begrijpelijk, veel van zijn tijdgenoten.

In het nieuwste boek over Marco Polo, van de Amerikaan Laurence Bergreen lezen we dat hij wel degelijk die reis heeft gemaakt, dat heel veel van zijn verhalen controleerbaar zijn en dat we hier met een uitzonderlijk veelzijdige, moedige man te maken hebben. Bergreen houdt van dergelijke tot de verbeelding sprekende figuren. Hij schreef eerder biografieën over de FBI-agent James Agee, Louis Armstrong, Al Capone en Irving Berlin. Zijn voorlaatste boek Over the Edge of the World ging ook over een ontdekkingsreiziger: Magelhaes, die als eerste de wereld omzeilde.

Bergreens informatieve boek begint als een biografie waarin hij Polo’s geboortestad Venetië in geuren en kleuren neerzet. Marco Polo, geboren in 1254 uit een aanzienlijk koopmansgeslacht, groeide weliswaar op zonder vader, maar toen deze na een reis van zestien jaar terugkeerde bleek Marco aan dezelfde reiskoorts te lijden. Marco’s vader en oom, Niccolo en Maffeo, hadden tussen 1253 en 1269 door het Mongolenrijk gezworven en aan het hof van Kublai Khan vertoefd. Hun tweede reis, met de jonge Marco, begonnen in 1271, wordt door Bergreen op de voet gevolgd, waardoor het boek iets van een reisgids krijgt. Dan volgt Polo’s verblijf aan het hof van Kublai Khan, zijn jaren in China, zijn terugreis. Een uitvoerige literatuur- en bronnendocumentatie besluit het boek.

Wat je je afvraagt bij het lezen van Polo’s reisbericht is waarom ze het nu eigenlijk deden. Er is sprake van ‘het leggen van handelscontacten’ en van het streven naar ‘onmetelijke winsten’, maar hoe dat precies in zijn werk ging en waarin dan gehandeld werd wordt niet duidelijk. De handel langs de zijderoute verliep in etappes. Er waren nooit handelaren die van China helemaal naar Aleppo of Venetië reisden. Handelaren legden telkens stukken van die Zijderoute af, verhandelden hun goederen en keerden dan weer terug. Zo gebeurde dat al eeuwen. Het idee van een rechtstreekse handelsverbinding tussen China en Venetië was absurd. Door al die relatief korte etappes, de winsten die op elke etappe gemaakt moesten worden en de heffingen die bij elke grens werden afgedragen, stegen de kosten reusachtig. Daarom zou veel later de zeeroute om Kaap de Goede Hoop met schepen met enorm laadvermogen lucratief blijken te zijn.

De Polo’s handelden wel, maar incidenteel en wat ze verdienden zetten ze om in saffieren en diamanten die geen zware bepakking vereisten en die ze om veiligheidsredenen in hun kleding naaiden. Ging het dan om wetenschappelijk onderzoek? Dat is een veel te moderne vraag. De Polo’s waren geen cartografen, geen geologen en ook geen cultureel antropologen. Nieuwsgierig waren ze wel: naar de zeden en gewoonten en vooral naar de middelen van bestaan en naar de producten van het land.

Er speelde wel een diplomatiek motief mee. Matteo en Niccolo hadden op hun eerste reis lange tijd aan het hof van de grote khan verkeerd. Kublai Khan was geïnteresseerd in alle mogelijke godsdiensten en betoonde zich daar ook tolerant in. Toen hij merkwaardige verhalen hoorde over Jezus Christus wenste hij zo spoedig mogelijk een flesje met heilige olie uit Jeruzalem en bovendien brieven van vriendschap van de paus. De paus van zijn kant zag waarschijnlijk mogelijkheden om samen met de Mongolen de oprukkende islam in de tang te nemen. De reis vertoonde ook enkele bekeringssporen: de paus zond twee geleerde monniken mee, maar die haakten halverwege Armenië af. Het flesje bereikte de khan wel.

Bergreen geeft over die motieven geen duidelijk antwoord. Zijn boek bestaat uit hoofdstukken die steeds opgebouwd zijn uit een tiental door interlinies gescheiden paragrafen. Telkens lezen we iets over een etappe en een halteplaats, waarna de auteur zijn commentaar geeft. Dat commentaar berust op een grote hoeveelheid literatuur en op de informatie van een grote hoeveelheid specialisten die hij gesproken heeft. Geologen, archeologen, antropologen, wapendeskundigen, kostuumhistorici, uit de hele wereld. Dat geeft het boek enigszins het karakter van een lezingavond met dia of powerpoint door een gedegen aardrijkskundeleraar. Telkens zien we de volgende dia, de next slide en horen we de stem van de reiziger, want ook Bergreen heeft de Zijderoute nagereisd.

Het Mongoolse rijk strekte zich uit van Oost-Europa tot China. Dankzij een reusachtig mobiel, uitstekend georganiseerd en niets en niemand ontziend leger, wisten de Mongolen telkens de naburige volkeren te onderwerpen. Expansie en oorlog was de natuurlijke staat van dit rijk. Maar toch had dit zijn grenzen: de invasie van Japan mislukte jammerlijk, evenals de verovering van Java. In beide gevallen bleek dat de Mongolen geen goede zeevaarders waren.

Marco Polo werd door zijn vader achtergelaten aan het hof van Kublai Khan. Hij diende hem als belastinginspecteur en moet een veelzijdig inzetbaar curiosum zijn geweest, een slimme jongen, die vele talen sprak, die kon rekenen en schrijven. Zijn verhouding tot Kublai Khan is dubbelzinnig. Hij was vol bewondering voor de steden, de luxe, het postsysteem, de architectuur, het geldwezen (er bestond papiergeld). Maar tegelijkertijd rustte de macht en de expansie van de Mongolen op een ongekende wreedheid en een volslagen onverschilligheid ten opzichte van het individu. Marco Polo was daar een directe getuige van. De huiver die door Europa trok bij het horen van het woord Mongolen is volkomen begrijpelijk. Waar zij kwamen richtten zij een orgie plundering, verkrachting en moord aan. Dat laatste, aldus Bergreen, wordt bevestigd door genetisch onderzoek. Ten minste acht procent van de huidige Aziatische bevolking stamt direct af van bewoners van het kerngebied van de Mongolen. Slechts een enkele keer rept Marco Polo van deze ongehoorde wreedheden. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen bewondering voor deze cultuur en afschuw. Tegelijk is hij er trots op deze wereldheerser zeventien lang te hebben gediend.

Na vele smeekbedes mochten de Polo’s weer naar huis. Dat ging deels per schip via Malakka en India. Na drie jaar later bereikten ze Venetië, behoorlijk gefortuneerd. Een paar jaar later, in 1298, werd Marco Polo bij een zeeslag tegen de Genuezen gevangen genomen en in Genua gevangen gezet. Het was daar dat hij zijn Aziatische belevenissen vertelde aan Rustichello, een medegevangene uit Pisa.

Na zijn vrijlating keerde Polo terug naar Venetië. Hij trouwde en kreeg drie dochters. De berichten over de laatste 25 jaar van zijn leven klinken niet verheffend. Bergreen beschrijft hem als een breedsprakige, nerveuze opschepper, twistziek en op de penning, die er een genoegen in schepte weerloze schuldenaars een proces aan te doen en in het verderf te storten. Kinderen scholden hem uit of vroegen of hij nog wat leugens wilde vertellen. In 1324 stierf hij, 70 jaar oud, steenrijk.

Rustichello was een notaris en romanschrijver die Polo’s verhaal in een Franstalige literaire vorm probeerde te gieten, in de trant van een exemplarische ridderroman. Dat genre stond haaks op de gedetailleerde, persoonlijke wijze waarop Polo zijn verhalen vertelde, met zijn al te plastische schilderingen van de meest exuberante seksuele praktijken. Het wrikte ook met de interpretatie van de Mongoolse cultuur. Polo heeft daar de positieve zijden van ervaren en sterker nog, hij kreeg waardering voor de variant van het boeddhisme die hij daar had aangetroffen. Rustichello moest daar niets van hebben. Marco Polo’s boek Il Millione is dan ook een onevenwichtig geheel geworden in stijl en inhoud. Hoewel: het origineel verloren is gegaan en er zijn ruim honderd middeleeuwse handschriften bekend, waarvan geen hetzelfde is. Er is geschrapt, toegevoegd en er is met de compositie geknoeid.

De Polologie heeft het er maar moeilijk mee. Laurence Bergreen heeft veel versies vergeleken, bronnen geraadpleegd en is ervan overtuigd geraakt dat Marco Polo de waarheid geen geweld aan heeft gedaan, en dat we het meeste moeten geloven. In de middeleeuwen was dat wel anders: er was immers geen controle mogelijk, en het is dan ook geen wonder dat zijn verhalen samensmolten met fabels en fantasieën, en van heel Azië een soort sprookjesland maakten – om van te huiveren én om te bewonderen..

Voor een enkeling was controle wel degelijk mogelijk. De Polo’s waren namelijk niet de enigen en ook niet de eersten die zo’n reis ondernamen. Van 1245 tot 1247 had de Franciscaner monnik Johannes van Plano Carpini via Rusland het Mongolenrijk al bereisd. Hij ging als de pauselijke gezant die contact met de khan moesten leggen. Carpini bereikte via Rusland Karakorum waar de khan toen resideerde. Ook Carpini bezat die ambivalente houding van fascinatie en afschuw. Marco Polo kende Carpini’s reisverhaal vóór zijn vertrek waarschijnlijk niet, maar heeft er in zijn eigen relaas wel gebruik van gemaakt.

Een andere monnik die het rijk der Mongolen doorkruiste was Oderic van Friuli, een Italiaanse minderbroeder, die reisde van 1317 tot 1330. Waarschijnlijk vertrok hij om er missiewerk te verrichten, maar veel schrijft hij daar niet over. Ook hij dicteerde zijn avonturen en ook zijn tekst is in manuscriptvorm in Europa verspreid.

Oderics in het Latijn gestelde verslag is nu voor het eerst integraal in het Nederlands verschenen. Het is totaal anders van stijl en opzet dan de uitgebreide verslagen van Carpini en Polo. Het is kort, vertoont lacunes, is weinig systematisch en de chronologie is hier en daar zoekgeraakt. In staccato zinnen verhaalt hij de wonderlijkste geschiedenissen over mensen met hondengezichten, kannibalen, bizarre dieren, onafzienbare paleizen, dagen durende feesten en jachtpartijen.

Ook bij hem overheerst de hyperbool; alles is groter, rijker, fantastischer dan hij ooit gezien heeft en de waarheid van dat alles wordt evenals bij Carpini en Polo gegarandeerd doordat hij het zelf heeft gezien of uit betrouwbare bron heeft vernomen. En ook bij hem bespeuren we de bewondering voor het efficiënte bestuur van het Mongolenrijk, het peil van hun beschaving en nog meer dat van China, en tegelijkertijd het ongeloof over de wreedheden.

Oderic tovert ons dus ook etappegewijs een wonderbaarlijk, immens continent voor ogen, van stad tot stad – ‘verwoest door de Mongolen’, lezen we zeker vijfmaal. Maar dan weer vertelt hij over steden die nog wel overeind stonden, zo groot dat de bij zijn lezers bekende steden Trevisio of Vicenza er bij in het niet vielen. Next slide, please.

Op 17/6 verschijnt de vertaling van ‘Marco Polo. From Venice to Xanadu’ bij De Bezige Bij.