Geluk

Ik liep door de straten van Antwerpen. Zonder kaart, zonder plan, bewoog ik me voort op een ritme dat leek te worden aangegeven door de huizen, de trottoirs, de honden aan de riemen en de mensen die me tegemoet kwamen om me prompt voorbij te laten gaan. Van een wandelaar werd ik een voorbijgaande, ik was van tijdelijke aard. Het gaf me een gevaarlijk soort lichtheid, die elk moment kon omslaan omdat er een zekere betekenisloosheid in mijn nieuwe hoedanigheid school. Om de zwaarmoedigheid te snel af te zijn, liep ik door, met verende pas. De straten liepen met me mee.

Honger en dorst dwongen me uiteindelijk een terras uit te zoeken en te gaan zitten. Maar terwijl de kelner me vroeg wat ik wilde eten, stapte ik in gedachten bij hem vandaan. Mijn benen voerden me weg terwijl ik soep at, en ik was de hoek al om terwijl ik een krant opensloeg. Pas toen ik goed keek naar een serie foto’s in De Standaard, bleven mijn fantoombenen geschrokken staan.

Links bovenaan de pagina zit een Chinees bruidspaar op een stenen trap. Het koppel kijkt links het beeld uit, de krant uit, alsof ze niets te maken willen hebben met het kader waarin ze zijn geplaatst. De fotograaf die het huwelijk moest vastleggen, hield niet op met fotograferen toen de aarde onder zijn voeten begon te beven. Hij legde vast hoe de kerk waar het paar had geposeerd in elkaar stortte.

Op een volgende foto is de witte bruidsjurk met grijs stof bedekt. De bruid heeft dezelfde kleur als het grauwe puin dat als een berg achter haar verrijst. Ze kijkt om zich heen, alsof ze een gezichtsuitdrukking zoekt die zou passen bij de ramp die zich voor haar ogen voltrekt. Kalkstenen figuren vluchten naar een veilige plek. Iedereen loopt een andere kant op.

Bij het kijken naar deze foto’s hoorde ik in gedachten het gedicht Showen en trippen van Anne Vegter uit de bundel Spamfighter:

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren

te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.

Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die on willig is

je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.

In dit gedicht wordt geluk iets om aan te trekken als een kleed dat je kan beschermen tegen allerlei mogelijk onheil. Maar het wringt. Want het kledingstuk zelf is al aanwezig, in de vorm van ‘deze jurk’. Geluk, en dan ook nog zielsveel daarvan, is de grote afwezige. Zonder geluk kan de jurk niet of niet overtuigend gedragen worden, en is het leven ondraaglijk.

Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken.

Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.

Ik kijk naar de bruid in Sichuan en weet dat er zielsveel geluk nodig is. Haar gasten tillen hun grijze rokken op tot de enkels, alsof er nog wat te redden valt. Grauwe ruggen verdwijnen achter brokstukken. Mijn benen zijn zwaar en de straten houden zich stil.